In 2021 schreef ik al eens over een studie van Uta Klusmann en collega’s die liet zien dat het welzijn van leraren niet alleen belangrijk is voor henzelf, maar ook samenhangt met wat er in de klas gebeurt. Nu verscheen er een nieuwe studie van grotendeels dezelfde onderzoeksgroep, die dat beeld bevestigt op een grotere en internationalere schaal. De onderzoekers gebruikten gegevens van 679 wiskundeleraren en meer dan 17.500 leerlingen uit acht landen, waaronder Duitsland, Japan, China, Chili en het Verenigd Koninkrijk.
Het uitgangspunt van de studie is eenvoudig. Leraren ervaren emoties tijdens het lesgeven. Soms genieten ze van hun werk, soms zijn ze boos of gefrustreerd. De vraag is of die emoties samenhangen met de kwaliteit van hun onderwijs en uiteindelijk ook met wat leerlingen leren.
De resultaten zijn opvallend consistent. Leraren die meer plezier beleven aan lesgeven worden door hun leerlingen beschreven als leraren die beter klasmanagement tonen, sterkere relaties met leerlingen opbouwen en vaker voor cognitieve activatie zorgen. Met dat laatste bedoelen onderzoekers dat leerlingen echt moeten nadenken, redeneren en verbanden leggen in plaats van alleen procedures volgen. Boosheid vertoont telkens het omgekeerde patroon.
Op zich is dat niet helemaal verrassend. Interessanter wordt het wanneer de onderzoekers naar de volgende stap kijken. Die aspecten van leskwaliteit hangen vervolgens samen met leerlinguitkomsten. Cognitieve activatie blijkt bijvoorbeeld sterk samen te hangen met zelfeffectiviteit en prestaties. Positieve relaties tussen leraar en leerling hangen dan weer vooral samen met interesse in het vak. Dit ligt in lijn wat ik zelf al merkte in onderzoek naar authenticiteit en passie: passie kan besmettelijk zijn.
Daarmee komen we bij de belangrijkste bevinding. De relatie tussen emoties van leraren en leerlinguitkomsten lijkt grotendeels te verlopen via wat leraren in de klas doen. Met andere woorden: deze studie ondersteunt niet het idee dat gelukkige leraren automatisch betere leerresultaten opleveren. Ze ondersteunt wel het idee dat emoties van leraren samenhangen met hun lesgedrag, en dat dit lesgedrag vervolgens samenhangt met motivatie, zelfeffectiviteit en prestaties van leerlingen.
Dat is belangrijk, omdat discussies over welzijn kunnen vervallen in slogans. Alsof investeren in welzijn automatisch leidt tot betere leerresultaten. Zo eenvoudig is het blijkbaar niet. Tegelijk laat deze studie zien waarom welzijn ook geen louter individueel thema is. Wanneer emoties samenhangen met klasmanagement, relaties en cognitieve activatie, raken ze aan de kern van het lesgeven zelf.
Zoals altijd is voorzichtigheid nodig. Dit onderzoek toont geen causaliteit aan. Dit kan niet met deze data. De onderzoekers testen een theoretisch model, maar kunnen niet uitsluiten dat de pijlen ook deels in de andere richting lopen. Misschien ervaren leraren meer plezier omdat ze al een goed functionerende klas hebben. Misschien zorgen gemotiveerde leerlingen voor minder frustratie. Of misschien beïnvloeden ze elkaar voortdurend.
Wat ik zelf misschien nog opvallender vind, is iets anders. De studie omvat acht cultureel zeer verschillende landen. Toch blijken de algemene patronen opmerkelijk vergelijkbaar. Dat betekent niet dat context onbelangrijk is. Wel dat sommige mechanismen in onderwijs mogelijk robuuster zijn dan we soms denken. Net zoals ik gisteren schreef naar aanleiding van het meest recente PIRLS-onderzoek: context doet ertoe, maar dat betekent niet dat elk onderzoeksresultaat volledig contextgebonden is.
Deze nieuwe studie bevestigt dus grotendeels wat de studie uit 2021 al suggereerde. Niet omdat welzijn een magische knop is die je omzet voor betere resultaten, maar omdat emoties van leraren samenhangen met de kwaliteit van de interacties en instructie die leerlingen dagelijks ervaren.