Een 3×3-kader voor onderwijs: een toetssteen voor onderwijsvisies

Gisteren mocht ik het Education Festival in Den Haag openen. Voor één keer gaf ik geen keynote die vertrok vanuit een overzicht van onderzoek. Wel vertrok ik vanuit een reeks vragen die me al een hele tijd bezighouden. Hoe denken we eigenlijk over onderwijs? We hebben verschillende kaders. We hebben verschillende perspectieven. En dan bestaat het gevaar dat je een kader gaat toevoegen. Ja, terechte vrees. En toch, ik deed het lichtjes anders.

Het ding is namelijk dat ik me ooit voorgenomen heb om niet één allesbepalende visie op onderwijs voor te stellen of te promoten. Dus kwam ik op iets anders uit. Ik gaf dus geen lezing over een specifieke methode, uitdaging, probleem of visie. Ik stond vooral stil bij de vraag welke bril we kunnen gebruiken wanneer we naar zulke thema’s kijken.

Tijdens de voorbereiding merkte ik dat veel discussies over onderwijs uiteindelijk terugkeren naar dezelfde onderliggende vragen. Soms gaat het over kennis, dan weer over persoonsvorming. In Nederland over burgerschap, overal soms wel en soms minder over kansengelijkheid. Bijna altijd gaat het over meerdere zaken tegelijk die al dan niet op een hoopje gegooid worden.

Dat bracht me bij een bedrieglijk eenvoudig 3×3-kader. Dus niet als een nieuwe onderwijsvisie, maar wel als een mogelijke toetssteen voor onderwijsvisies. Het kan een manier zijn of worden om na te gaan of we bij bepaalde discussies of debatten niets vergeten. Ik ga het voor mijn doen nu behoorlijk gestructureerd aanpakken met koppen en vet om het kader duidelijk te maken.

De eerste vraag is:

Waarom bestaat onderwijs?

Voor mij begint dat bij overdracht. Onderwijs zorgt ervoor dat elke generatie niet opnieuw van nul moet beginnen. Kennis, cultuur, vaardigheden en inzichten worden doorgegeven. We staan op de schouders van reuzen, zoals Bernard van Chartres het al in de twaalfde eeuw formuleerde.

Maar onderwijs gaat ook over ontwikkeling. Jongeren ontwikkelen zich niet vanzelf optimaal. Onderwijs ondersteunt hun cognitieve, sociale, emotionele en morele groei.

En tenslotte is er participatie. Mensen leven niet alleen. Onderwijs bereidt jongeren voor op deelname aan gemeenschappen, cultuur, democratie en arbeid.

Daaruit volgt een tweede vraag:

Wat doet onderwijs dan precies?

Onderwijs moet, cru gezegd, onderwijzen. Leerlingen in contact brengen met kennis en inzichten die ze nog niet bezitten.

Onderwijs moet ook opvoeden. De volwassene neemt bewust verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de jongere.

Maar er is ook nood aan begeleiden in onderwijs. Hier ligt het initiatief meer bij de jongere zelf, terwijl de professional ondersteunt bij de weg naar zelfstandige deelname aan de samenleving.

Een derde vraag? Yep, want het is een 3 maal 3 model;

Hoe moet onderwijs dat doen?

Voor mij zijn er drie voorwaarden.

Onderwijs moet rechtvaardig zijn. Dat betekent niet dat iedereen hetzelfde krijgt, maar wel dat iedereen een eerlijke kans krijgt op overdracht, ontwikkeling en participatie.

Onderwijs moet verantwoordelijk zijn. We krijgen kinderen en jongeren als het ware in bruikleen. Dat betekent dat we keuzes moeten kunnen verantwoorden op pedagogische, ethische en wetenschappelijke gronden. Ik verzoen hier bewust pedagogiek én evidence-informed werken.

En onderwijs moet gesitueerd zijn. Onderwijs gebeurt nooit in een vacuüm. Leeftijd, cultuur, gemeenschap, voorkennis en omstandigheden spelen altijd een rol.

Screenshot

Ik kreeg gisteren al verschillende boeiende vragen. Een ervan ging over de vraag waar het transactionele element in mijn model zit. Leraren beïnvloeden leerlingen, maar leerlingen beïnvloeden ook leraren. Daar ben ik het grotendeels mee eens. Mijn onderscheid tussen onderwijzen, opvoeden en begeleiden gaat dan ook niet over de vraag óf er interactie is, maar over de vraag waar de primaire intentie ligt. Bij onderwijzen vertrekt die vooral van de expert die iets wil overdragen. Bij opvoeden neemt de volwassene bewust verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de jongere. Bij begeleiding ligt het initiatief meer bij de lerende, terwijl de professional ondersteunt. Alle drie zijn relationele en transactionele processen, maar ze verschillen in de richting van waaruit het initiatief aanvankelijk vertrekt.

In de praktijk?

Toen ik het model had uitgetekend, stelde ik mezelf onmiddellijk een kritische vraag. Wat dan met emancipatie? Welzijn? Vrijheid? Burgerschap? Mijn voorlopige antwoord is dat dit belangrijke waarden, uitkomsten of accenten zijn, maar geen fundamenteel andere opdrachten van onderwijs. Ze krijgen betekenis binnen de spanning tussen overdracht, ontwikkeling en participatie.

Het interessante aan een toetskader is dat je het vervolgens kunt toepassen op heel verschillende vraagstukken. Dat deed ik gisteren ook in mijn keynote. Zo stond ik stil bij AI. Hierbij kun je vragen wat jongeren moeten weten over AI, hoe AI hun ontwikkeling beïnvloedt en hoe ze leren deelnemen aan een samenleving waarin AI aanwezig is. Of wat te denken over de manosfeer? Dan kun je kijken naar de kennisclaims die circuleren, naar vragen van identiteit en ontwikkeling, en naar de gemeenschappen waartoe jongeren zich aangetrokken voelen.

Je zou dezelfde oefening kunnen maken voor kennisrijke curricula, de leescrisis, huiswerk, smartphones of kansengelijkheid. Niet dat ik pretendeer dat dit kader alle antwoorden geeft, maar ik vermoed dat het helpt betere vragen te stellen. En misschien nog belangrijker: dat het voorkomt dat we bij complexe onderwijsvraagstukken één dimensie uit het oog verliezen. Of om een vaak geciteerde uitspraak van Kurt Lewin te parafraseren, die ik zelf leerde van Marc Spoelders: niets is zo praktisch als een goede theorie.

Geef een reactie