Een van de meest besproken onderwijsinnovaties van de voorbije vijftien jaar is ongetwijfeld de flipped classroom, onder andere door de aandacht die de Khan Academy ervoor genereerde. Studenten verwerken de theorie thuis, vaak via video’s of ander voorbereidend materiaal. Tijdens de les is er dan tijd voor vragen, toepassingen, oefeningen en samenwerking. In feite is het idee dus veel ouder, al sinds een leerkracht vroeg om een tekst op voorhand te lezen. De belofte is wel groot als het gaat om hoger onderwijs: minder passieve hoorcolleges, meer actief leren.
Maar… wat is het leereffect? Een nieuwe second-order meta-analyse van Uzun en collega’s, dit is een meta-analyse van 25 eerdere meta-analyse, geeft daar een genuanceerd antwoord op. Het korte antwoord is: ja, meestal werkt het. Maar waarschijnlijk niet om de reden die vaak wordt aangenomen.
Het gemiddelde effect is positief
Over alle studies samen vinden de onderzoekers een gemiddeld effect van ongeveer 0,75 standaarddeviatie. Dat is een meer dan behoorlijk effect, maar hold your horses. Er zit namelijk een belangrijke nuance achter dat cijfer.
Wanneer de auteurs corrigeren voor publicatiebias – het feit dat positieve studies vaker gepubliceerd worden dan negatieve – daalt het geschatte effect naar ongeveer 0,59. Nog altijd duidelijk positief, maar minder spectaculair dan de literatuur op het eerste gezicht deed vermoeden. Dat is natuurlijk geen kritiek op flipped classrooms. Het is eerder een herinnering dat onderwijsinnovaties zelden zo krachtig zijn als de eerste enthousiaste studies suggereren, en dat we al een tijdje zien bij meta-analyses.
Niet overal even effectief
En achter een gemiddelde kan veel verschil schuilgaan. En dat is hier het geval: de effecten verschillen sterk tussen richtingen. De grootste winst wordt gevonden in opleidingen zoals:
- geneeskunde;
- verpleegkunde;
- farmacie;
- taalonderwijs.
In STEM-opleidingen zijn de effecten veel kleiner. Als je erbij stilstaat, is dat eigenlijk niet zo verrassend. In opleidingen waar studenten tijdens de les veel klinische vaardigheden, communicatie of professionele handelingen oefenen, levert extra oefentijd onmiddellijk iets op. Een hoorcollege vervangen door begeleide oefening heeft daar een duidelijke meerwaarde. In vakken waar conceptueel redeneren en abstracte kennis centraal staan, lijkt dat minder vanzelfsprekend.
Video’s zijn niet de actieve ingrediënt
Veel discussies over flipped classrooms gaan over video’s en staan stil bij vragen zoals:
- Welke software gebruik je?
- Hoe lang mogen video’s duren?
- Moeten studenten verplicht kijken?
Maar dit onderzoek doet vermoeden dat dit wel eens de verkeerde vragen zijn. De meta-analyse suggereert namelijk dat het niet het bekijken van video’s is dat de leerwinst oplevert, maar wat je vervolgens tijdens de contacttijd doet.
De positieve effecten ontstaan als de vrijgekomen lestijd gebruikt wordt voor:
- casussen;
- feedback;
- probleemoplossing;
- begeleide oefening;
- samenwerking,
Met andere woorden: video’s zijn dus geen doel op zich. Ze zijn hoogstens een middel om ruimte te creëren voor rijkere leeractiviteiten en het is wellicht daar dat de leereffecten ontstaan.
Ook hogere denkvaardigheden blijken geen automatisme
Een populaire claim is dat flipped classrooms automatisch leiden tot diep leren en hogere denkvaardigheden. Deze tweedorde meta-analyse ondersteunt die stelling maar gedeeltelijk. De sterkste effecten worden gevonden voor professionele vaardigheden, zelfgestuurd leren en algemene leerprestaties. Voor hogere denkvaardigheden is het effect eerder beperkt.
Flipping een les verandert immers niet automatisch de kwaliteit van de opdrachten. Hogere-orde-denken ontstaat niet omdat een video vóór de les wordt bekeken, maar omdat studenten tijdens én na de les worden uitgedaagd om te analyseren, verbanden te leggen en problemen op te lossen.
De grootste valkuil: meer werk zonder meerwaarde
De studie toont ook dat er een gevaar kan schuilen in een Flipped Classroom-aanpak. Soms wordt dit in de praktijk namelijk gewoon:
- een video bovenop de gewone les;
- extra voorbereiding zonder aanpassing van de contacturen;
- een verschuiving van verantwoordelijkheid naar studenten.
Dan krijgen studenten (en docenten) méér werk, terwijl de les zelf nauwelijks verandert. In zo’n geval is de klas niet echt “geflipt”. Er is alleen extra huiswerk bijgekomen dat studenten al dan niet zullen maken. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom sommige studies nauwelijks effecten of zelfs negatieve ervaringen rapporteren.
Dus wanneer werkt flipped classroom?
Sommigen zullen de nuance ondertussen beu zijn, maar hoe kunnen we dit alles samenvatten? Flipped classrooms lijken vooral te werken als:
- de voorbereidende materialen van goede kwaliteit zijn,
- studenten daadwerkelijk voorbereid naar de les komen,
- de vrijgekomen lestijd actief wordt benut,
- de docent tijdens die lestijd intensief begeleidt,
- de leerdoelen vragen om toepassing, feedback en oefening.
Met andere woorden: het succes zit niet in het omdraaien van de volgorde, maar in het beter benutten van de gezamenlijke lestijd. Het betekent dat flipped classrooms geen wondermiddel zijn, maar wel één van de mogelijke manieren om een nog ouder pedagogisch principe beter vorm te geven: gebruik de kostbare tijd waarop docent en studenten samen zijn voor de dingen die je alleen samen kunt doen.