Het klinkt bijna vanzelfsprekend. Rijkere landen hebben betere scholen. En dus zou economische groei ook tot betere leerprestaties moeten leiden. Toch is een nieuwe studie die gebruikmaakt van ruim twintig jaar PISA-data een stuk minder geruststellend. Satoshi Araki maakt in dit onderzoek een onderscheid dat verrassend weinig wordt gemaakt. Hij vergeleek niet alleen landen met elkaar, maar volgde ook dezelfde landen doorheen de tijd en stootte op iets vreemds: een soort van PISA-paradox.
Wanneer je landen op één moment vergelijkt, zie je wat we allemaal kennen: rijkere landen behalen gemiddeld hogere PISA-scores. Dat geldt ook voor landen die meer aan onderwijs uitgeven. Maar… wanneer je dezelfde landen over twintig jaar volgt, krijg je een heel ander beeld. In veel rijke landen gingen de PISA-scores achteruit terwijl de economie bleef groeien. Ook bevestigt het onderzoek iets dat we al langer wisten, namelijk dat meer onderwijsuitgaven niet automatisch samengaan met betere prestaties. Araki spreekt daarom van een paradox.
Dat betekent uiteraard niet dat economische groei slecht is voor onderwijs. Noch bewijst het dat betere leerprestaties economische groei zou afremmen, echt niet. Het toont vooral dat een verband tussen landen niet noodzakelijk hetzelfde is als een verandering binnen landen. Dat is een belangrijke methodologische les die veel verder reikt dan alleen dit onderzoek.
De onderzoeker bespreekt vervolgens in zijn paper verschillende mogelijke verklaringen. Zo ziet hij dat economische ontwikkeling en digitalisering voor meer afleiding kunnen zorgen, of misschien is het zo dat de arbeidsmarkt verschuift in die landen naar andere vaardigheden dan precies diegene die PISA meet. Een derde mogelijke verklaring die hij noemt, is dat achterstanden mogelijk meer zichtbaar worden doordat meer jongeren langer op school blijven.
Tijdens het lezen moest ik echter aan nog een andere mogelijkheid denken die Araki niet vermeldt. Jaren geleden had ik een gesprek met Andreas Schleicher, de grondlegger van PISA, en we bespraken toen een trend die we blijkbaar beiden hadden opgemerkt. We hadden het toen namelijk over iets wat misschien nog fundamenteler is. Misschien wordt goed onderwijs na verloop van tijd gewoon… normaal?
Wanneer een land decennialang goede scholen heeft, wordt dat steeds minder iets waar politici of burgers bewust trots op zijn. Onderwijs wordt infrastructuur, zoals stromend water of een betrouwbaar elektriciteitsnet. Je merkt het pas wanneer het minder goed werkt. Het succes van een onderwijssysteem kan er paradoxaal genoeg toe leiden dat het minder aandacht krijgt. Het wordt vanzelfsprekend.
Dat betekent natuurlijk niet dat leraren minder hard werken of dat scholen plots slechter worden. Wel dat de maatschappelijke en politieke aandacht langzaam kan verschuiven naar andere uitdagingen. Terwijl goed onderwijs juist voortdurend onderhoud vraagt. Dit geldt ook voor zaken die in onderwijs aan bod komen, zoals de basisvaardigheden, die pas weer belangrijk worden als de kinderen ze niet meer kunnen. Wie ooit een mooie tuin heeft gehad, weet dat die niet mooi blijft omdat hij gisteren mooi was. Dat laatste voorbeeld haalde ik bij mijn vrouw, ik heb oprecht niets met tuinieren.
Ik vind die hypothese minstens even plausibel als sommige verklaringen die de auteur zelf bespreekt. Alleen weten we het simpelweg nog niet. Het onderzoek toont een interessant patroon, maar verklaart het nog niet. En dat onderscheid is belangrijk.
De grootste verdienste van deze studie is misschien niet dat ze een antwoord geeft, maar dat ze een betere vraag stelt. Niet: maakt economische groei onderwijs beter? Maar: hoe zorgen landen ervoor dat goed onderwijs géén vanzelfsprekendheid wordt zodra ze welvarend zijn?
Dat lijkt me een vraag waar onderwijsonderzoek de komende jaren nog veel werk aan zou kunnen hebben.