We hadden het er al uitgebreid over in Juffen zijn Toffer dan Meersters én in Bijna Alles Wat Je Moet Weten Over Psychologie, maar het viel me op hoe vaak dezelfde misverstanden over intelligentie maar blijven terugkomen. Dat is misschien tegelijkertijd niet zo vreemd. Intelligentie en intelligentieonderzoek zijn al meer dan een eeuw onderwerpen die sterke reacties kunnen oproepen, zoals ik zelf ook al af en toe kon merken. Historisch gezien kan IQ voor sommigen bijna alles verklaren, terwijl het voor anderen nauwelijks meer is dan een sociaal construct. De werkelijkheid is, zoals zo vaak, genuanceerder en die nuance herhaal ik graag.
Laat ik beginnen met een punt waar vrijwel iedereen het over eens is. Een IQ-score zegt niets over iemands waarde als mens. Ze zegt niets over vriendelijkheid, creativiteit, doorzettingsvermogen of moreel karakter. Iemand met een gemiddeld IQ kan een fantastische verpleegkundige, ondernemer of leraar zijn. Iemand met een zeer hoog IQ kan een verschrikkelijke collega zijn. Ik ben al fijne mensen én verschrikkelijke mensen tegengekomen, met alle mogelijke intelligenties. Het punt is: daar gaat intelligentieonderzoek helemaal niet over.
Maar met deze uitleg kan het vervolgens goed misgaan. Zodra je namelijk correct zegt dat IQ niet alles zegt over een mens, lijken sommigen te besluiten dat intelligentie dan maar niet bestaat. Die conclusie volgt helemaal niet uit de wetenschap. Dat mensen verschillen in algemene cognitieve vaardigheden behoort tot de meest robuuste bevindingen uit de psychologie. Het is steeds weer aangetoond dat mensen die goed presteren op de ene cognitieve taak gemiddeld ook beter presteren op andere cognitieve taken. Dat patroon werd al meer dan een eeuw geleden beschreven en is sindsdien duizenden keren teruggevonden. Psychologen noemen dat de positive manifold, het verschijnsel dat verschillende cognitieve vaardigheden positief met elkaar samenhangen. De vraag is vandaag niet meer óf dat patroon bestaat, maar hoe we het het best kunnen verklaren.
Dat betekent overigens niet dat intelligentie eenvoudig is. Moderne intelligentietests bestaan allang niet meer uit één getal. Nu brengt men verschillende cognitieve vaardigheden in kaart, zoals werkgeheugen, verwerkingssnelheid, verbaal begrip en vloeiend redeneren. Het bekende IQ-cijfer is ondertussen een samenvatting van een veel rijker profiel dan ooit het geval was.
Een tweede misverstand gaat over erfelijkheid, iets waar we in het psychologieboek uitgebreid bij stil staan, en waar op zich al veel misverstanden over bestaan. Wie zegt dat intelligentie deels erfelijk is, beweert niet noodzakelijk dat onderwijs of opvoeding er niet toe doen. Erfelijkheid betekent namelijk niet onveranderlijkheid. Bijna alle psychologen zijn het er vandaag over eens dat genen en omgeving voortdurend met elkaar in interactie zijn. Goed onderwijs kan cognitieve ontwikkeling stimuleren, net zoals een slechte omgeving die ontwikkeling kan afremmen.
Misschien is de meer intelligente vraag (pun intended) daarom niet of IQ bestaat, maar waarvoor we het eigenlijk nodig hebben. Voor leraren is het antwoord verrassend eenvoudig: meestal niet. Een goede leraar kijkt naar wat een leerling kent, begrijpt en kan. Toetsen, observaties en andere vormen van formatieve evaluatie leveren daarvoor vaak veel bruikbaardere informatie op dan een intelligentiescore. Een leerling die moeite heeft met breuken, help je niet door zijn IQ te kennen, maar door te begrijpen waar het leerproces vastloopt en daar vervolgens op in te grijpen.
Dit betekent echter niet dat we IQ nu maar in de geschiedenisboeken moeten achterlaten. Het kan nog steeds handig zijn om hoogbegaafdheid of verstandelijke beperkingen vast te stellen of om binnen een breder psychodiagnostisch onderzoek te gebruiken. Zoals elk meetinstrument heeft IQ in deze voorbeelden een specifieke functie. Een thermometer is ook niet nutteloos omdat hij geen bloeddruk meet.
Waar ik wél voorzichtig mee ben, is de maatschappelijke betekenis die we soms aan IQ toekennen. Een hoge score maakt iemand niet waardevoller. Een lage score maakt iemand niet minder belangrijk. Onderwijs heeft mensen nodig die kunnen programmeren, lassen, lesgeven, verplegen, onderzoeken, ontwerpen en zorgen. Die bijdragen zijn niet onderling uitwisselbaar.
Oh, en nog één misverstand dat hardnekkig blijft terugkomen: de theorie van de meervoudige intelligenties wordt vaak voorgesteld als een mogelijk wetenschappelijk alternatief voor IQ, maar dat is de theorie niet. Er is nauwelijks empirische evidentie dat deze verschillende “intelligenties” zouden bestaan zoals Gardner ze beschreef. Howard Gardner heeft bovendien zelf geschreven dat zijn theorie nooit systematisch empirisch werd getoetst en dat ze ondertussen gedateerd is.
Er is hierover nog heel veel te vertellen, maar dit is een blog en geen boek. Dat boek schreef Stuart Ritchie trouwens al.