Maakt competitie kansenongelijkheid groter? Deze preregistreerde studie verraste mij.

Toen ik gisteren deze studie las, begon mijn hoofd te knetteren. Nathalie Aerts, Thijs Bol en en Eddie Brummelman vertrokken vanuit een theorie die de voorbije jaren steeds meer aandacht kreeg. Volgens de Social Class–Academic Context Mismatch-theorie zouden competitieve schoolomgevingen leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus benadelen. Iets waar ik ook van uitging op basis van de onderzoeken die ik las. Competitie zou beter aansluiten bij de waarden waarmee kinderen uit hogere SES-gezinnen opgroeien. Leerlingen uit lagere SES-gezinnen zouden zich daardoor minder thuis voelen, een negatiever beeld van hun eigen kunnen ontwikkelen en uiteindelijk ook minder goed presteren. Geef toe, dat klinkt op zich niet onlogisch. Maar…

De onderzoekers deden vervolgens precies wat je hoopt dat onderzoekers doen. Ze registreerden vooraf hun hypothesen en analyseplan en onderzochten de vraag met PISA 2018-data van meer dan 315.000 vijftienjarigen uit 69 landen. En toen gebeurde er dus iets onverwachts.

Niet alleen vonden ze geen bewijs dat competitieve schoolomgevingen de SES-kloof vergroten. Ze vonden net het tegenovergestelde. Leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus bleken in scholen die zij als competitiever ervoeren iets positievere self-efficacy, een positiever beeld van hun eigen leesvaardigheid én iets betere prestaties in lezen en wiskunde te rapporteren. Let wel: de verschillen zijn klein, maar opmerkelijk consistent. En daarmee spreken de resultaten de oorspronkelijke hypothese rechtstreeks tegen.

Betekent dit dan dat scholen competitiever moeten worden? Het zou een logische conclusie kunnen lijken, maar toch niet. En ik schrijf dit niet omdat ik per se tegen competitie zou zijn.  Tijdens het lezen merkte ik namelijk dat ik voortdurend een ander beeld van competitie voor ogen had dan wat de onderzoekers eigenlijk aan het onderzoeken waren. Zelf dacht ik aan ranglijsten, cijfers openbaar maken, normgericht beoordelen, selectie of leerlingen voortdurend met elkaar vergelijken.

Maar dat is niet wat het team onderzocht. De onderzoekers vroegen leerlingen in hoeverre zij hun school als competitief ervoeren. Vonden de respondenten dat leerlingen onderling veel concurreren? Dat competitie belangrijk gevonden wordt? Daarnaast berekenden ze ook hoe competitief de gemiddelde leerling in een school zichzelf omschreef.

Dat is iets heel anders dan competitie die structureel door de school of het onderwijssysteem wordt georganiseerd.  De vraag werd steeds meer bij het lezen: wat meet men nu eigenlijk?

Misschien ervaren leerlingen een school als competitief omdat leerlingen elkaar voortdurend proberen te overtreffen. Maar misschien ervaren ze een school ook als competitief omdat er hoge verwachtingen leven, omdat prestaties zichtbaar zijn, omdat leraren duidelijke doelen stellen en omdat inzet ertoe doet.

Met andere woorden: misschien is “ervaren competitie” gedeeltelijk een maat voor een ambitieuze schoolcultuur. Geef toe, dat zou de resultaten plots in een heel ander licht plaatsen. We weten namelijk uit heel wat onderzoek dat hoge verwachtingen, duidelijke doelen en een ordelijke leeromgeving vooral leerlingen uit minder kansrijke milieus kunnen helpen. Denk bijvoorbeeld aan onderzoek naar teacher expectations, collective teacher efficacy of effectieve instructie. Zulke scholen combineren vaak ambitie met veel ondersteuning. Leerlingen weten wat er verwacht wordt en krijgen ook hulp om dat niveau te bereiken.

Misschien is dat wel wat leerlingen hier “competitie” noemen. Opvallend genoeg ligt die interpretatie niet zo ver van de verklaring die de auteurs zelf geven. Zij suggereren dat competitieve omgevingen duidelijke doelen, structuur en beloningen kunnen bieden, waardoor vooral leerlingen uit lagere SES-milieus extra houvast krijgen. Alleen meten ze die structuur, verwachtingen of ondersteuning helemaal niet. Dat blijft dus een plausibele, maar speculatieve verklaring. Mijn interpretatie is uiteindelijk even speculatief.

Maar er is meer. Het gaat om een cross-sectionele studie. We weten dus (terug) niet wat oorzaak en gevolg is. Misschien zorgt een ambitieuze schoolcultuur ervoor dat leerlingen hun school competitiever ervaren. Misschien ervaren succesvolle leerlingen hun omgeving juist als competitiever. Of misschien worden beide verklaard door een derde factor die niet gemeten werd.

Zoals ik al schreef, zijn de effectgroottes klein. Dat is niet per se verrassend met meer dan 300.000 leerlingen. Statistische significantie betekent nog niet automatisch een groot praktisch effect. De auteurs benadrukken dat zelf ook expliciet.

Maar je merkt dat ik dit toch een belangrijke studie vind? Dat is niet omdat ze bewijst dat competitie goed is. Nee, ik vind het belangrijk werk omdat ze een invloedrijke theorie onderwerpt aan een bijzonder strenge test. En vervolgens precies het tegenovergestelde vindt van wat vooraf werd voorspeld. Je zou kunnen denken dat dit een probleem is voor de wetenschap, terwijl het voor mij een perfect voorbeeld is van hoe wetenschap kan werken. Onthou dus niet dat “competitie” goed is. Ik denk wel dat we duidelijk meer onderzoek nodig hebben, precies over dit thema.

3 gedachten over “Maakt competitie kansenongelijkheid groter? Deze preregistreerde studie verraste mij.

  1. Is het op basis van de gegeven evidentie niet aangewezen om de laatste 2 zinnen te schrijven als “Onthou dus dat competitie voor geen enkele groep leerlingen slecht is, dat het eerder goed lijkt en dat verder onderzoek naar de aard van die goede competitie nodig is.”?

  2. Het doet me denken aan de verschillende manieren waarop performance goals gemeten worden in onderzoek. Origineel (PALS vragenlijst) werd dat gemeten met vragen als “I’d like to show my teacher that I’m smarter than the other students in my class”. Later (AGQ vragenlijst) werd dat “It is important for me to do better than other students”. Eerst ging het dus over AANLEG (anderen of zichzelf tonen dat men slim IS), later over UITKOMST (beter DOEN dan anderen). Door dit allemaal dezelfde naam te geven (“prestatiedoelen”) maar verschillend te conceptualiseren, moet men steeds gaan kijken hoe de onderzoekers het begrip conceptualiseerden (door na te gaan welke meetschaal ze gebruikten).

Geef een reactie