Het is een bekend fenomeen in onderwijsonderzoek en -beleid. Een onderwijsinterventie werkt uitstekend in tien scholen. Leerkrachten zijn enthousiast, de resultaten zijn veelbelovend en onderzoekers publiceren een mooi effect. De volgende stap lijkt vanzelfsprekend: laten we dit ook in honderd of duizend scholen invoeren, zelfs de norm maken. En dan gaat het fout. Het effect blijkt niet op te schalen.
Onderzoekers spreken zelfs van het scale-up effect: interventies die in een kleinschalige studie goed werken, verliezen vaak een deel van hun effect wanneer ze op grotere schaal worden ingevoerd. Dat betekent niet noodzakelijk dat de interventie slechter wordt, maar wel dat bijvoorbeeld de omstandigheden veranderen. Meer scholen betekenen meer verschillende leraren, directies, leerlingen, contexten en praktische uitdagingen. Het klinkt deprimerend, zeker als er niets tegen te doen zou zijn.
Een nieuwe systematische mapping review van Rosanna Lea en collega’s probeerde daarom een andere vraag te beantwoorden dan de klassieke “wat werkt?”. De onderzoekers analyseerden 79 onderwijsinterventies die wel succesvol werden opgeschaald en bekeken vooral hoe die opschaling in de praktijk werd aangepakt. Hun doel was niet om één gouden formule te vinden, maar om in kaart te brengen welke bouwstenen telkens terugkomen.
Wat leert hun werk ons? Vrijwel alle interventies begonnen met een degelijke professionalisering. Bijna allemaal legden ze uit wat de interventie inhield, vaak aangevuld met demonstraties en mogelijkheden om zelf te oefenen. Iets opvallends: deelnemers kregen tijdens de opleiding minder vaak de kans om ervaringen met collega’s uit te wisselen.
Daarnaast investeerden bijna alle projecten in goede materialen. Denk dan aan degelijke handleidingen, lesmateriaal en praktische hulpmiddelen. Verder kwamen coaching of andere vormen van ondersteuning tijdens de uitvoering ook vaak terug. Met andere woorden: de onderzoekers gingen er zelden van uit dat een eenmalige vorming voldoende was. Dit ligt in lijn met wat we weten over effectieve professionalisering.
Misschien nog interessanter is wat er relatief weinig voorkomt in de succesvolle cases die men onderzocht. Zo besteedde slechts een klein deel van de interventies expliciet aandacht aan het uitbouwen van professionele leergemeenschappen (PLG’s). Even de definitie vrij naar deze bron:
Dit is een groep onderwijsprofessionals (zoals leerkrachten, zorgcoördinatoren of directie) die op regelmatige basis samenkomt om kennis te delen, de eigen lespraktijk te onderzoeken en gezamenlijk te werken aan betere onderwijsresultaten.
Nochtans zijn dat precies de elementen waarvan we vaak aannemen dat ze nodig zijn om een vernieuwing duurzaam te verankeren. Maar dit betekent niet dat PLG’s onbelangrijk zouden zijn. De auteurs benadrukken zelf dat hun review geen handleiding is voor succesvolle implementatie. Ze brachten in kaart wat onderzoekers deden, niet welke afzonderlijke onderdelen verantwoordelijk zijn voor succes. Hiervoor is ander onderzoek nodig.
Toch levert de review volgens mij een meer dan bruikbare checklist op voor iedereen die onderwijs wil verbeteren. Als je een veelbelovende aanpak wilt opschalen, denk dan niet alleen na over de inhoud van de interventie. Denk ook na over de professionalisering, de materialen, de begeleiding tijdens de uitvoering en de manier waarop scholen de verandering kunnen volhouden wanneer het projectteam alweer vertrokken is. Want een succesvolle pilot is nog geen succesvolle onderwijsvernieuwing.