Er zijn onderwijsinterventies waarvan we al lang weten dat ze behoorlijk goed kunnen werken. In mijn wereld is high-impact tutoring, of high-dosage tutoring, daar waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van. Leerlingen krijgen meerdere keren per week intensieve begeleiding in kleine groepjes van twee of drie leerlingen. De resultaten zijn doorgaans indrukwekkend. Maar toch blijft er een ongemakkelijke vraag hangen. Minder of het werkt, maar veel ongemakkelijker: of we het ons wel kunnen veroorloven.
Een nieuwe gerandomiseerde studie van Daniel Hamlin en collega’s maakt dat spanningsveld opnieuw heel zichtbaar. De onderzoekers volgden gedurende drie schooljaren 963 zwak presterende leerlingen uit zeven Amerikaanse middelbare scholen. De ene groep kreeg high-impact tutoring door zorgvuldig geselecteerde en opgeleide universiteitsstudenten; de jongeren die werden toegewezen aan de controlegroep volgden een gewone remediërende wiskundeles. Dit laatste is niet onbelangrijk: ook de controlegroep kreeg dus extra instructietijd. De vergelijking is daardoor veel eerlijker dan in studies waarin tutoring wordt afgezet tegen “business as usual”.
De resultaten zijn opnieuw positief. De leerlingen die tutoring kregen boekten ongeveer 0,13 standaarddeviatie meer vooruitgang op hun wiskundetesten. Omgerekend spreken de auteurs over bijna een half extra schooljaar aan leerwinst. Dat is een mooi effect, zeker omdat de controlegroep eveneens extra ondersteuning kreeg.
Maar dan komt het tweede deel van het verhaal, en de directe aanleiding voor deze blogpost. De tutoring kostte ongeveer 5.200 dollar per leerling. De gewone remediërende les kostte ongeveer 470 dollar. De extra leerwinst van 0,13 standaarddeviatie kostte dus ongeveer 4.740 dollar extra per leerling.
Ik bedoel dit niet als een kritiek op tutoring, deed er net zelf onderzoek naar omdat het de kansen kan verbeteren, maar…Dit onderzoek legt vooral een meer fundamenteel probleem bloot. De prijs van eerlijke kansen. Hoe meer we onderwijs willen afstemmen op individuele leerlingen, hoe meer mensen daarvoor nodig zijn. Dat geldt niet alleen voor tutoring. Dat geldt ook voor zaken die bijvoorbeeld worden aangeraden voor inclusief onderwijs, zoals kleinere klassen, co-teaching, gespecialiseerde ondersteuning of extra zorg.
Bijna allemaal leveren ze voordelen op, al is dat van co-teaching nog niet zo duidelijk. Maar bijna allemaal vragen ze vooral ook extra personeel. En als je deze personeelsleden al kan vinden, zijn zij veruit de grootste kost in onderwijs.
Dat maakt onderwijs economisch bijzonder. In veel sectoren kan technologie ervoor zorgen dat één werknemer steeds meer produceert. Een machine vervangt tien arbeiders. Software automatiseert administratief werk. Maar een leraar die twintig leerlingen goed begeleidt, kan niet zomaar veertig leerlingen even goed begeleiden, hoe graag sommigen dit ook zouden willen. Onderwijs is bij uitstek een sector waarin kwaliteit vaak afhankelijk blijft van menselijke interactie, hoe graag mensen dromen van AI. Dat betekent dat betere ondersteuning bijna automatisch duurder wordt.
Een gedachte: misschien ging de voorbije jaren veel onderzoek over de vraag: Wat werkt of beter wat kan werken? Die vragen blijven natuurlijk belangrijk, maar misschien moeten we er andere vragen aan toevoegen. Wat blijft werken als we het voor iedereen willen organiseren? Wat is economisch haalbaar? Dat sluit ook aan bij iets waar ik eerder al over schreef namelijk, de scale-up paradox. Veel interventies, zoals precies tutoring, werken uitstekend in kleine projecten. De echte uitdaging begint wanneer je ze voor duizenden leerlingen wilt organiseren.
Dit onderzoek bevestigt alvast een mogelijke besparing bij tutoring die we al eerder zagen. De onderzoekers onderzochten namelijk ook of twee leerlingen per tutor beter werken dan drie leerlingen per tutor. Dat bleek niet zo te zijn. Een verhouding van 3:1 leverde minstens even goede resultaten op als 2:1.
Nu even rekenen zonder tutorbegeleiding: als één tutor drie leerlingen tegelijk kan begeleiden zonder kwaliteitsverlies, stijgt de capaciteit met de helft. Volgens de onderzoekers daalt de meerkost daardoor van ongeveer 4.740 dollar naar ongeveer 3.500 dollar per leerling. Nog altijd duur, maar wel een belangrijke stap richting een iets meer haalbaarder model. Want eerlijke kansen mogen duur zijn, maar ze mogen nooit onbetaalbaar worden.
Hoi Pedro,
Ben je bekend met de Rekenfaculteit?
Dit is een initiatief van Stichting De Verre Bergen (liefdadigheidsorganisatie van een zeer rijke havenfamilie). Zij bieden scholen een programma waarin ze (voorheen) in groepen van 2-3 lln extra tutoring geven op rekengebied, aan leerlingen van groep 5 en 7, bovenop de gewone rekenlessen
Komend jaar gaat mijn school ook met de Rekenfaculteit samenwerken. Vanaf komend schooljaar gaan ze de tutoring aanbieden in groepen van 4 lln, om te kijken wat dat doet met de effectiviteit (juist vanwege de enorme financiële investering). Ik heb begrepen dat de Erasmusuniversiteit Rotterdam dit project volgt en onderzoekt
Groet, Noëlle
Zat ooit met De Verre Bergen samen toen we in Leiden ons onderzoek naar tutoring deden!