Niet alle oefening is gelijk: een nieuwe studie geeft Ericsson deels gelijk

Als ik in een abstract de woorden schaken en uren oefenen zie staan, denk ik bijna automatisch aan Anders Ericsson. Andere mensen die minder thuis zijn in het onderzoek zullen wellicht aan Outliers van Malcolm Gladwell denken. Die baseerde zijn beroemde maar foute 10.000-urenregel op het werk van Ericsson. Ericsson corrigeerde die fout trouwens zelf nog in zijn laatste boek Peak, voor hij kwam te gaan. Maar het te eenvoudige verhaal is bij veel mensen blijven hangen. Daarom geloven heel wat mensen vandaag nog dat je in alles een expert kunt worden als je maar lang genoeg oefent. Tienduizend uur en klaar klinkt mooi, maar het is niet wat de Zweedse onderzoeker schreef.

Ericsson had namelijk een heel andere vraag. Waarom worden sommige mensen, die ongeveer evenveel tijd investeren, veel beter dan anderen? Waarom blijven sommige muzikanten, schakers of sporters jaar na jaar vooruitgaan terwijl anderen na een tijdje lijken stil te vallen? Gewoon harder werken is dan niet het antwoord, volgens Ericsson wel: anders oefenen.

Dat anders oefenen noemde hij deliberate practice: doelgericht oefenen, iets wat we ook in het Lesgeven boek bespreken. Dit is systematisch werken aan precies datgene wat je nog niet beheerst. Dat betekent concreet onder andere:

  • oefenen met een duidelijk doel,
  • onmiddellijke feedback krijgen,
  • fouten analyseren,
  • moeilijke onderdelen herhalen
  • voortdurend nét buiten je comfortzone werken.

Dergelijk doelgericht oefenen kan dus zeer intensief zijn en vaak niet eens leuk. Het is vooral fundamenteel anders dan gewoon veel ervaring opdoen. Dit alles ging in de populaire versie grotendeels verloren. De 10.000-urenregel werd al snel een soort slogan: oefening baart kunst. Maar Ericsson vat je beter samen als: de juiste oefening baart kunst.

Maar is dat wel zo? De voorbije tien jaar kwam ook de theorie van Ericsson zelf  onder vuur te liggen. Verschillende meta-analyses concludeerden dat deliberate practice lang niet zoveel verklaart als Ericsson had beweerd. Andere onderzoekers wezen erop dat intelligentie, motivatie, persoonlijkheid en genetische aanleg eveneens een rol spelen. Dat laatste was iets wat Ericsson zelf behoorlijk bestreden had, enkel misschien lengte bij basketbal zou een erfelijk voordeel geweest zijn. Het is inderdaad het aloude nature-nurture debat.

Maar misschien was er in feite sprake van een ander probleem. Veel studies bekeken wellicht helemaal geen deliberate practice zoals Ericsson die had gedefinieerd. Ze vroegen bijvoorbeeld hoeveel uren iemand had geoefend, hoeveel partijen een schaker had gespeeld of hoeveel jaar ervaring iemand had. Ericsson reageerde daar steevast op dat dit vergelijkbaar is met het tellen van het aantal uren dat iemand piano speelt zonder te weten wat die persoon tijdens die uren eigenlijk doet. Volgens hem zegt de hoeveelheid oefening op zich weinig als je de kwaliteit ervan niet kent.

Dat brengt ons (eindelijk, sorry voor de lange aanloop) bij een nieuwe studie die precies probeert dat probleem op te lossen. De onderzoekers onder leiding van Daniel Southwick analyseerden het gedrag van meer dan 44.000 Chess.com-spelers over een periode van zes maanden. Ze deden dit niet op basis van vragenlijsten achteraf, maar bekeken objectieve gegevens over alles wat spelers op het online platform deden. Hierdoor konden ze onderscheid maken tussen verschillende soorten oefening: partijen spelen, eigen partijen analyseren, videolessen volgen en tactische puzzels oplossen.

Dergelijke data zijn interessant om effectief naar Ericssons werkelijke theorie te kijken. Zo bleken spelers meer dan 90% van de tijd aan het spelen van partijen te besteden. Dat lijkt logisch: wie beter wil schaken, schaakt. Maar dat bleek lang niet de meest efficiënte manier om vooruit te gaan! Activiteiten die veel dichter aansluiten bij Ericssons idee van deliberate practice leverden per uur tijd die men investeerde gemiddeld 3,6 keer meer vooruitgang op. Denk dan vooral aan het analyseren van eigen partijen en het volgen van gerichte lessen. Meer dan 90% van de tijd speelden mensen partijen, terwijl minder dan 10% naar de doelgerichte oefenvormen ging. Toch kwam het grootste deel van de leerwinst uit die minderheid van de tijd.

Dat betekent uiteraard niet dat Ericsson plots overal gelijk heeft. De auteurs zijn daar zelf voorzichtig mee. Ze konden bijvoorbeeld intelligentie, motivatie en persoonlijkheidskenmerken niet meten in dit onderzoek en benadrukken expliciet dat ook die factoren volgens hen waarschijnlijk wel degelijk een rol spelen. Hun conclusie is dus niet dat talent onbelangrijk is. Wel argumenteren ze dat één belangrijke kritiek op Ericsson mogelijk gebaseerd was op een verkeerde operationalisering van oefenen. Als je alle vormen van oefenen op één hoop gooit, mis je misschien precies waar zijn theorie over ging.

Wat weten we dus nu? Niet dat de 10.000-urenregel toch zou kloppen. Die blijft een karikatuur van Ericssons werk. Wel zien we dat wetenschappelijke discussies soms jarenlang kunnen draaien om definities. Wanneer onderzoekers eindelijk meten wat een theorie oorspronkelijk bedoelde te meten, kan een verhaal soms een stuk genuanceerder blijken dan de slogans die ervan zijn gemaakt.

Geef een reactie