De voorbije jaren hoor je steeds vaker over het “jongensprobleem” in onderwijs. Jongens zouden al vanaf de basisschool op achterstand staan. Ze zouden minder lang stil kunnen zitten, minder ver ontwikkeld zijn op vlak van taal en executieve functies, terwijl de basisschool net steeds academischer is geworden. En het klopt: we zien nu meer meisjes dan jongens in het hoger onderwijs en het aantal jongens dat school verlaat zonder diploma is groter dan het aantal meisjes. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle jongens een probleem hebben, en alle meiden probleemloos in ons onderwijs zitten. Nochtans sluit volgens sommigen het onderwijs simpelweg beter aan bij meisjes dan bij jongens. Sommigen gaan zelfs zo ver om voor te stellen alle jongens een jaar later aan de basisschool te laten beginnen, las ik recent nog in De Morgen.
Maar klopt dat verhaal eigenlijk wel? Een nieuwe studie, gebaseerd op de resultaten van bijna 12 miljoen Amerikaanse leerlingen, zet daar toch een aantal stevige vraagtekens bij.
Megan Kuhfeld en Margaret Burchinal gebruikten data van bijna 12 miljoen Amerikaanse leerlingen uit negen opeenvolgende cohorten, van de start van de kleuterschool tot het einde van de lagere school. Hierbij was hun redenering eigenlijk heel eenvoudig. Als bijvoorbeeld de basisschool inderdaad minder goed aansluit bij jongens, dan zou je verwachten dat jongens tijdens hun schoolloopbaan steeds verder achterop raken. Als het onderwijs de oorzaak is, dan zou het verschil immers groter moeten worden naarmate kinderen langer op school zitten.
Dat blijkt echter niet uit de gegevens, alvast in de VS. Voor lezen starten meisjes inderdaad met een voorsprong. Al bij de start van de kleuterschool scoren meiden gemiddeld beter dan jongens. Opvallend is echter dat die voorsprong tijdens de rest van de lagere school nauwelijks groter wordt! De kloof is er dus al vóór de schoolloopbaan echt begint en blijft daarna grotendeels stabiel. De school lijkt die achterstand bij jongens dus niet verder te vergroten, wat positief is. Tegelijkertijd slaagt onderwijs er evenmin in ze volledig weg te werken. Ik zie hier parallellen met andere vormen van ongelijkheid.
Voor wiskunde is het beeld anders. Vóór de coronapandemie begonnen meisjes gemiddeld met een kleine voorsprong in rekenen, maar die verdween al tijdens het eerste schooljaar. Tegen het einde van de kleuterschool hadden jongens die achterstand ingehaald. Daarna bouwen ze zelfs een kleine maar consistente voorsprong uit die aanhoudt tot het einde van de lagere school. Bij de meest recente cohorten is zelfs de aanvankelijke voorsprong van meisjes bij de start verdwenen.
Misschien nog opvallender is dat dit geen nieuw fenomeen blijkt te zijn. De onderzoekers vergeleken hun resultaten met oudere, nationale datasets die teruggaan tot eind jaren negentig. Het patroon blijkt al meer dan twintig jaar opmerkelijk stabiel: meisjes behouden een voorsprong in lezen, terwijl jongens tijdens de lagere school geleidelijk een voorsprong opbouwen in wiskunde.
Betekent dit dan dat er helemaal geen jongensprobleem bestaat? Nee, zo eenvoudig is het niet. De studie zegt niet dat jongens geen uitdagingen kennen. Zo bekeken beide onderzoeksters uitsluitend prestaties in lezen en wiskunde. Andere zaken, zoals gedrag, executieve functies, motivatie of welbevinden, namen ze niet mee in hun analyses.
De studie laat wel zien dat de stelling dat de basisschool jongens systematisch academisch zou benadelen weinig steun krijgt. Als scholen werkelijk steeds slechter zouden aansluiten bij jongens, dan zou je verwachten dat hun achterstand tijdens de schooljaren steeds groter wordt. Dat patroon vinden de onderzoekers gewoonweg niet.
Jongens én meisjes, ot liever gewoon leerlingen, kennen allemaal hun eigen uitdagingen. Als je dan toch naar geslacht zou kijken, lijken jongens extra ondersteuning nodig te hebben bij lezen. Meisjes blijven dan weer kwetsbaar voor hardnekkige stereotypen over hun wiskundige capaciteiten. Maar mag ik een tip geven: kijk vooral naar wat het kind nodig heeft, ongeacht het geslacht.