Technologie in onderwijs: kijk naar leren én welzijn (APA)

Via Dan Willigham, ontdekte ik het nieuwe rapport van de American Psychological Association over kinderen, jongeren en onderwijstechnologie waar Dan ook aan meeschreef. Veel van wat erin staat, zal vaste lezers van deze blog niet verbazen. Denk bijvoorbeeld aan de vaststelling dat engagement niet hetzelfde is als leren. Ik moet spontaan aan het lijstje van Robert Coe denken. Een leerling kan goed presteren binnen een app en toch weinig onthouden of toepassen zodra die app dichtgaat. Meer of minder schermtijd zegt op zichzelf ook niet zoveel, ondanks soms de grote (morele) paniek. Het hangt er vooral van af wat leerlingen doen, wanneer ze dat doen, met wie en vooral wat die schermtijd vervangt.

Toch vind ik dit rapport behoorlijk sterk. Vooral omdat de auteurs niet in een van de klassieke onderwijsvalkuilen trappen: doen alsof er maar één uitkomst telt.

Je kan dat bijvoorbeeld inderdaad merken aan hoe ze naar schermtijd kijken. De vraag is volgens hen niet simpelweg hoeveel tijd kinderen of jongeren achter een scherm zitten. Belangrijker is wat voor schermtijd moet wijken. In het rapport wordt expliciet gewezen op de mogelijke spanning tussen technologiegebruik en slaap, sociaal contact en directe ervaringen, zeker bij jongere kinderen en adolescenten. Dit allemaal kan een verschil maken in de ontwikkeling en het welzijn van een kind, met directe en indirecte gevolgen, ook voor het leren.

Dat vind ik belangrijk, omdat discussies over technologie, kinderen/jongeren en onderwijs vaak merkwaardig snel versmallen of polariseren, denk bijvoorbeeld aan het debat rond Jonathan Haidt en zijn critici. In debatten gaat het ook soms vooral over leerwinst, en lijkt de rest bijkomstig. Ofwel gaat het over welzijn en ontwikkeling, en lijkt leren plots een wat ongemakkelijk onderwerp. Het is een verdienste van het rapport dat men breed tracht te kijken.

De APA houdt vrij strak vast aan een duidelijke definitie van leren: leerlingen moeten kennis, vaardigheden of attitudes niet alleen tijdens het gebruik van een tool tonen, maar ook later kunnen onthouden, begrijpen en toepassen. Interesse, motivatie, aandacht en participatie kunnen daarbij helpen, maar zijn op zichzelf geen bewijs dat er geleerd is. Dat is een nuttige correctie op EdTech-bedrijven die graag uitpakken met gebruikscijfers, engagement, badges, streaks en tevreden leerlingen. Veel gebruik is nog geen bewijs van veel leren, terug Robert Coe.

Maar tegelijk zegt het rapport dus ook niet: dan kijken we voortaan alleen nog naar leerprestaties. Relaties tellen namelijk in onderwijs ook mee. Net zoals ontwikkeling, slaap, privacy of toegankelijkheid. De vraag of bepaalde groepen leerlingen minder voordeel hebben of zelfs nadeel ondervinden, telt ook zeer zeker mee.

En ook bij AI merk je die bredere blik. De experten van de APA zijn duidelijk voorzichtig. Generatieve AI kan prestaties verbeteren zonder dat leerlingen daarom meer leren. Leerlingen kunnen betere antwoorden produceren, maar achteraf minder weten of minder goed zelfstandig een vergelijkbare taak oplossen. Het is een inzicht dat ondertussen hopelijk gemeengoed is geworden.

Maar een interessante praktische aanbeveling is daarom: laat AI liever niet meteen het eerste antwoord, eerste idee of eerste ontwerp produceren. Laat leerlingen eerst zelf iets proberen en pas daarna vergelijken, verbeteren of feedback vragen.

Maar ook daar stopt het niet bij leren. Bij jongere kinderen spelen vragen rond mensachtige AI, vertrouwen en afhankelijkheid. Bij adolescenten komen privacy, zelfstandig denken en emotionele afhankelijkheid erbij.

Nog iets wat me opviel: de leraar en andere volwassenen verdwijnen in dit rapport allerminst naar de achtergrond. Ook dit ligt in lijn met ander onderzoek, logischerwijs. Technologie kan beter werken wanneer volwassenen helpen focussen, vragen stellen, uitleg geven en de digitale activiteit verbinden met wat leerlingen al weten of elders hebben ervaren. De APA waarschuwt er expliciet voor technologie te zien als vervanging van menselijke relaties en professionele oordeelsvorming.

Ook dat lijkt evident, maar… We hebben de voorbije jaren vaak genoeg gehoord dat technologie gepersonaliseerd, adaptief en slim genoeg zou worden om steeds meer van die rol over te nemen. Quod non.

Het rapport eindigt met tien aanbevelingen die ik als afbeelding meegaf bij het begin van deze post. Het is geen wereldschokkende lijst, maar misschien is dat net de kracht. We denken vaak dat het moeilijk volgen is omdat de technologie zo snel verandert. Maar misschien is het belangrijk te beseffen dat de belangrijkste vragen veel minder snel veranderen:

  • Wat moet een leerling hier eigenlijk leren?
  • Leert die leerling dat ook echt?
  • Wat vervangt deze technologie?
  • Wie profiteert ervan en wie niet?
  • En wat doet dit alles met een kind of jongere, niet alleen als leerling, maar ook in ontwikkeling, relaties en welzijn?

De eerste vragen deden me vermoeden dat ook Dylan Wiliam betrokken was, maar nee. Hij kwam al eerder tot een vergelijkbare lijst. Maar zowel zijn als deze lijst kunnen ervoor zorgen dat we een veel rijkere discussie voeren dan opnieuw eindeloos ruziën over “technologie: ja of nee”.

Geef een reactie