Na al het PISA-geweld, even een onderzoek dat slechts zijdelings met onderwijs te maken heeft! Een gigantische nieuwe studie in Nature levert behoorlijk nieuwe inzichten op over de link tussen onze persoonlijkheid en onze genen. De (echt belachelijk veel) onderzoekers combineerden hiervoor gegevens uit 46 cohorten, met afhankelijk van de persoonlijkheidstrek tussen ruim 600.000 en meer dan 1,1 miljoen deelnemers (nee, dit is geen schrijffout). Ze bekeken de bekende Big Five: extraversie, vriendelijkheid, consciëntieusheid, neuroticisme en openheid voor ervaringen. En omdat deze nu eenmaal wel een invloed kunnen hebben op hoe iemand zich gedraagt in de klas, en omdat de OESO de Big Five zelfs gebruikte als uitgangspunt voor hun PISA van sociaal-emotioneel leren,
En ja, ze vinden genetische verbanden, zeer veel zelfs. In totaal identificeren de onderzoekers 1260 genetische varianten die significant samenhangen met persoonlijkheidstrekken. Hiervan waren 824 nog niet eerder gevonden. Als ik het zo schrijf, klinkt dit alles behoorlijk spectaculair. Toch is het essentieel te vermelden dat elk afzonderlijk effect bijzonder klein is. Een concreet voorbeeld om dit duidelijk te maken: voor extraversie komt het mediane effect van een significante variant neer op ongeveer 0,009 standaarddeviatie. Als twee mensen genetisch alleen op zo’n variant van elkaar zouden verschillen, zou je op basis van hun gedrag onmogelijk kunnen zeggen wie daardoor iets meer of minder extravert zou moeten zijn. De onderzoekers schatten verder dat per persoonlijkheidstrek gemiddeld meer dan 16.000 onafhankelijk samenhangende veelvoorkomende varianten betrokken zijn.
Met andere woorden: er bestaat geen extraversiegen, consciëntieusheidsgen of creativiteitsgen. Persoonlijkheid is genetisch extreem versnipperd, iets wat we al langer wisten voor veel menselijke kenmerken.
Ook als de onderzoekers alle onderzochte genetische varianten samen analyseren, blijven de effecten relatief beperkt. Afhankelijk van de persoonlijkheidstrek kunnen deze genetische varianten samen ongeveer 5 tot 9 procent van de verschillen tussen mensen verklaren. De onderzoekers merkten trouwens dat met betere meetinstrumenten dat percentage wat hoger kan liggen.
Dat is veel minder dan de 40 tot 60 procent erfelijkheid die vaak uit tweeling- en familieonderzoek naar voren komt. Zo een verschil is niet vreemd om vast te stellen: erfelijkheids- of tweelingonderzoek probeert de totale invloed van erfelijke verschillen te schatten, terwijl deze studie enkel kijkt naar de genetische varianten die we vandaag daadwerkelijk kunnen meten en koppelen aan persoonlijkheid. Ook blijven het gewoon andere onderzoeksmethodes. Een groot deel van het genetische verhaal blijft dus nog buiten beeld. En ook belangrijk om te onthouden: ook een hoge erfelijkheid betekent niet dat de omgeving onbelangrijk is.
Maar waarom schrijf ik dan over dit onderzoek als alles zo klein lijkt? Een klassiek probleem bij genetisch onderzoek naar gedrag is dat ouders niet alleen genen doorgeven, maar ook een omgeving. Dat kan het bijvoorbeeld lastig maken om te weten of een genetisch verband met opleidingsniveau echt rechtstreeks genetisch is. Het kan onder andee ook deels lopen via gezinnen, opvoeding, sociale positie, partnerkeuze,… Daarom dat een-eiige tweelingen die niet samen opgevoed werden zo aantrekkelijk zijn voor onderzoek. Maar deze onderzoekers probeerden op een andere manier toch meer te leren via analyses binnen families.
Wat blijkt? Wanneer ze genetische verschillen binnen twee-eiige tweelingparen vergelijken, blijft gemiddeld 96 procent van het verband overeind dat ze ook in de gewone populatieanalyse zagen. Voor opleidingsniveau is die verhouding in eerder onderzoek veel lager, ongeveer 60 procent. Voor cognitieve vaardigheden ongeveer 80 procent.
Een tweede analyse, met ouder-kindgegevens, komt vrijwel op hetzelfde neer: gemiddeld lijkt ongeveer 96 procent van de voorspelling samen te hangen met rechtstreeks overgedragen genetische verschillen, en slechts een klein deel met familiale verstorende factoren. Dat maakt deze resultaten behoorlijk robuust. Maar let op: die 96 procent betekent dus absoluut niet dat 96 procent van onze persoonlijkheid genetisch bepaald wordt.
Toch betekent dit niet dat persoonlijkheid genetisch vastligt. De onderzoekers zijn daar helder over. Zelfs directe genetische effecten bepalen de persoonlijkheid van een individu niet. Ze werken probabilistisch en kunnen via en samen met ervaringen en omgevingen tot uiting komen. In ons psychologieboek beschrijven we hoe nature en nurture bijna altijd op elkaar inwerken sowieso.
Belangrijk verder te vermelden is dat “generaliseerbaar” in dit onderzoek geen synoniem is voor “universeel”. Het grootste deel van de data komt uit populaties met European-like genomes en Westerse contexten. De studie bevat ook African-like samples, maar die zijn veel kleiner.
De onderzoekers koppelen de genetische patronen vervolgens ook aan allerlei uitkomsten: gezondheid, middelengebruik, psychiatrische problemen, sport, BMI, onderwijs, arbeidsmarktgedrag en zelfs de kans dat iemand een vragenlijst invult. Sommige van die verbanden proberen ze met Mendelian randomization ook causaal te toetsen. Ze vinden daar verschillende mogelijke causale verbanden, maar de auteurs benadrukken zelf dat die conclusies met andere methoden moeten worden getrianguleerd.
Deze studie geeft munitie tegen twee simplistische verhalen. Het eerste is dat persoonlijkheid vooral iets is wat de omgeving maakt, mocht iemand dat nog denken. Daarvoor zijn de genetische verbanden te consistent en te robuust, ook binnen families.
Het tweede is het omgekeerde: dat je persoonlijkheid uit je DNA zou kunnen aflezen. Ook dat klopt duidelijk niet. De afzonderlijke effecten zijn minuscuul, duizenden varianten spelen tegelijk een rol, en zelfs de polygenetische scores kunnen het toekomstige gedrag van een individu niet voorspellen.
Dus ja: genen doen ertoe. Omgeving ook. En het meest interessante antwoord blijft, zoals zo vaak, ingewikkelder dan de tegenstelling tussen nature en nurture.