Hoe krijg je kennis uit onderzoek daadwerkelijk in de klas? Het is een vraag die mij en mijn collega’s bij Leerpunt blijvend bezighoudt. Een rapport of leidraad publiceren is één ding, maar ervoor zorgen dat de kennis uit zo’n rapport ook echt gebruikt wordt in scholen is een heel ander paar mouwen. Het abstract van een nieuwe studie van Mareike Ehlert en Elmar Souvignier maakte me daarom nieuwsgierig. Ze onderzochten namelijk wat er gebeurt als je leraren niet alleen gebruikers van onderzoek maakt, maar ook verspreiders ervan. Nu, ik schreef bewust ‘het abstract’ omdat dit Engelstalig was. Het eigenlijke onderzoek is in het… Duits. En ik moet 2 dingen bekennen. 1) Ik kan oprecht geen Duits, ondanks vele pogingen om het te leren. En 2) zowel ChatGPT als Google Translate hebben me noodgedwongen moeten helpen om het onderzoek te kunnen begrijpen.
Het onderzoek dat ik zo dus heb ontcijferd, vond plaats in Duitse basisscholen en draaide helemaal rond evidence-informed leesonderwijs. Eerst werden er tien ervaren leraren gedurende zes maanden opgeleid tot wat men multipliers noemt. Vervolgens trainden deze 10 nog eens 43 collega’s uit elf scholen. Een groep van 33 andere leraren uit elf andere scholen vormde een wachtlijstcontrolegroep. De professionalisering was relatief intensief: ongeveer dertig uur verspreid over een halfjaar, met zowel theorie als oefeningen, e-learningmodules, concrete lesmaterialen en kansen om nieuwe werkwijzen eerst uit te proberen.
Daarna gingen alle leraren uit de experimentele groep ermee aan de slag. De eerste zes maanden konden ze nog een beroep doen op hun multiplier, daarna moesten ze zelfstandig verder. Dit is een belangrijk en relevant punt. Onderwijsprojecten kunnen immers prachtig werken zolang onderzoekers en begeleiders er energie in blijven steken. Maar wat gebeurt er wanneer zij vertrekken?
Wel, dat werd gemeten/bevraagd. Anderhalf jaar later bleken er nog steeds verschillen te zijn. De leraren uit de interventiegroep rapporteerden meer kennis en meer vertrouwen in hun eigen kunnen dan de leraren uit de controlegroep. De samenwerking leek relatief traag op gang te komen. In feite was het pas na anderhalf jaar dat er een significant verschil ontstond in samenwerking tussen leraren.
Maar er gebeurde nog iets waar mensen zoals ik van dromen. De aanpak begon zich namelijk verder door de scholen te verspreiden. Na anderhalf jaar had 71 procent van de deelnemende leraren de inhoud informeel met collega’s besproken, bijna 30 procent had dit gedaan tijdens schoolbijeenkomsten en 63 procent had het concrete lesmateriaal aan collega’s doorgegeven.
Dit wil dus zeggen dat onderzoekskennis zich misschien niet alleen verspreidt omdat iemand aan collega’s vertelt wat onderzoek zoal zegt. Iets concreets waarmee je morgen aan de slag kunt, lijkt hier makkelijker de weg te vinden naar andere leraren. De onderzoekers wijzen zelf ook op de onmiddellijke bruikbaarheid van het lesmateriaal als mogelijke verklaring. Dit weten we trouwens zelf ook al door de statistieken van Leerpunt te bekijken.
De leraren moesten trouwens de leesaanpak 60 minuten per week gebruiken. In werkelijkheid deden ze dat een pak korter. Tijdens de begeleide fase bleek het gemiddeld 36 minuten te zijn en vervolgens nog 29 minuten. Toch bleven de gevonden verschillen bestaan. De auteurs suggereren daarom dat een onderwijsinnovatie misschien tegen een zekere mate van aanpassing moet kunnen, robuust genoeg zijn als het ware. In echte scholen wordt een interventie nu eenmaal zelden precies uitgevoerd zoals de bedenkers haar hebben ontworpen.
Dit onderzoek geeft hoop. Ik wil die nu niet vervolgens kelderen, maar je bent aan de nuanceringsalinea’s toegekomen. De steekproef in deze studie is behoorlijk klein en de belangrijkste uitkomsten zijn gebaseerd op zelfrapportages. Zelfs de opgedane ‘kennis’ werd niet gemeten met een kennistest. Ook weten we niet welk onderdeel van het hele pakket verantwoordelijk was voor de gevonden verschillen.
Toch moest ik bij het lezen denken aan Research Schools en onze eigen Inspiratiescholen. Deze studie is uiteraard geen directe evidentie dat zulke modellen per definitie werken. Maar ze laat wel een mechanisme zien dat een onderliggend idee interessant kan maken.
Je kunt proberen onderzoekskennis rechtstreeks bij elke leraar te krijgen. Maar je kunt ook investeren in leraren en scholen die niet alleen zelf leren evidence-informed te werken, maar anderen daarbij helpen. Dan kom je uit op iets als:
onderzoek -> intensief ondersteunde leraren -> collega’s -> concrete praktijk -> verdere verspreiding.
Tegelijk zit hier ook een zekere waarschuwing in. Een inspiratieschool mag dan niet simpelweg een goede school zijn waar anderen een middagje komen kijken. In de aanpak binnen dit onderzoek kregen mensen tijd, intensieve professionalisering, concrete materialen en langdurige ondersteuning.