Je zou kunnen zeggen: we hebben het Rekenhof niet nodig om te weten dat er een lerarentekort is in Vlaanderen. Klopt, maar wat ik altijd merk als het over deze instelling gaat: men gaat niet voor half werk. Dit nieuwe rapport maakt duidelijk hoe groot het probleem ondertussen is (met een lichte positieve evolutie), maar vooral wat scholen doen om ermee om te gaan.
Het Rekenhof berekende het tekort voor het gewoon voltijds secundair onderwijs. Het structurele tekort, waarbij scholen geen leraar vinden voor openstaande uren, bedraagt ongeveer 2 procent. Als de onderzoekers ook niet-ingevulde vervangingen meerekenen, schommelt het totale tekort tussen 3,1 en 3,7 procent. Klinkt bijna een klein probleem, maar dat is het niet. Lees daarom verder.
Zo is er nog een derde groep: leraren die afwezig zijn, maar volgens de regelgeving niet betaald vervangen kunnen worden. Als het Rekenhof ook die uren meetelt, komt het zogenaamde integrale tekort in maart 2025 uit op 5,9 procent. Twee jaar eerder was dat nog 6,9 procent. Midden in het schooljaar is er dus voor ongeveer één op zestien lerarenuren geen leraar aanwezig om de les te geven.
Maar het rapport bevestigt dat dit gemiddelde grote verschillen verbergt. De tekorten zijn het grootst voor wiskunde, Nederlands, Frans en Engels. Brussel wordt veel harder getroffen dan de Vlaamse provincies. En wat we ook al wisten, wordt hier extra duidelijk: scholen in centrumsteden, scholen met arbeidsmarktgerichte opleidingen en scholen met veel kansarme leerlingen kennen gemiddeld vaker grotere tekorten. Door die laatste groep dreigt het lerarentekort de sociale ongelijkheid nog verder uit te diepen.
Maar wat trachten scholen hier nu zelf aan te doen? Ze passen onder andere roosters aan de beschikbare leraren aan, laten leerlingen later beginnen of vroeger stoppen (heeft ook een van mijn kinderen momenteel), organiseren meer studie-uren en voegen klassen samen (idem). Ook worden bestaande leraren extra ingezet. En er staan vaker mensen met minder gebruikelijke profielen voor de klas. Volgens het Rekenhof heeft dit bepaalde gevolgen die veel onderwijsmensen sowieso zullen herkennen. Zo gaat er onderwijstijd verloren. Scholen besparen soms noodgedwongen op professionalisering en zorg. En de druk op de aanwezige leraren neemt toe.
Maar dan komt het rapport met nog een ongemakkelijke constatering die niet noodzakelijk goed zal landen in het onderwijs. Vlaanderen heeft relatief kleine klassen (gemiddeld) en veel instructietijd (gemiddeld). Tegelijk staan leraren relatief weinig uren per jaar voor de klas. Bovendien is het studieaanbod sterk versnipperd. In 2022-2023 telde een kwart van de studierichtingen in de tweede en derde graad minder dan vijf leerlingen. Terwijl scholen ingenieus kunnen zijn met het samenvoegen van richtingen voor bepaalde vakken, kunnen ook daardoor relatief veel leraren nodig zijn.
Het lerarentekort gaat dus volgens het rapport niet alleen over te weinig mensen die leraar willen worden. Het gaat ook over de organisatie van ons onderwijs. En ondertussen wordt die organisatie steeds vaker niet alleen bepaald door wat inhoudelijk of pedagogisch wenselijk is, maar ook door… welke leraar beschikbaar is.
Oh, en het licht positieve nieuws nog, omdat je er misschien over las! Het integrale tekort bedroeg in maart 2023 6,9 procent, in maart 2025 was dat 5,9 procent.