De tip dat je best vragen stelt bij het bekijken van een instructievideo is een behoorlijke open deur. Maar wanneer stel je die vragen dan het best? Vooraf, zodat leerlingen misschien beter weten waar ze op moeten letten? Of achteraf, zodat ze de informatie opnieuw uit hun geheugen hoeven op te halen? Een nieuwe studie van Bart Schutte en collega’s onderzocht precies deze vraag. En er blijkt geen duidelijke winnaar te zijn.
Aan het onderzoek deden 223 Nederlandse leerlingen uit het tweede jaar van het secundair/voortgezet onderwijs mee. Ze kwamen uit twee scholen en volgden HAVO of VWO. Tijdens een gewone biologieles bekeken ze een instructievideo van net meer dan elf minuten over genetica.
De onderzoekers verdeelden de leerlingen over vijf groepen. Eén groep kreeg zeven meerkeuzevragen vóór de video, een andere groep kreeg vragen na de video. Bij beide groepen was er ook een variant waarbij leerlingen na elke vraag meteen het juiste antwoord te zien kregen. Ten slotte was er een controlegroep die geen vragen kreeg. Netjes. Na de video volgde een korte afleidingstaak en vervolgens een toets met 14 testvragen. Zeven daarvan waren eerder al gesteld, de andere zeven niet. Dat laatste bleek belangrijk.
Op het eerste gezicht hielp het stellen van vragen. Zowel leerlingen die vooraf vragen hadden gekregen als leerlingen die achteraf vragen kregen, presteerden gemiddeld beter dan leerlingen in de controlegroep. Maar als de onderzoekers onderscheid maakten tussen de vragen die al eerder waren gesteld en de nieuwe vragen, verdween een deel van dat mooie resultaat. Het voordeel was alleen zichtbaar voor de informatie waarover leerlingen daadwerkelijk een vraag hadden gekregen. Voor de andere informatie uit de video vonden de onderzoekers geen voordeel.
Met andere woorden: vragen stellen leek er niet voor te zorgen dat leerlingen de hele video beter leerden. Ze onthielden vooral beter wat direct werd bevraagd.
Maar er is meer. Zonder feedback – hier in een zeer beperkte vorm – waren noch vragen vóór de video, noch vragen erna significant beter dan helemaal geen vragen krijgen. Wanneer leerlingen na hun antwoord wel meteen het correcte antwoord te zien kregen, waren beide groepen duidelijk beter dan de controlegroep.
Vooral na een fout antwoord bleek die feedback belangrijk. Als leerlingen het antwoord al juist hadden, leverde feedback geen extra voordeel op. Dat lijkt misschien logisch, maar het betekent ook dat gewoon vragen stellen niet noodzakelijk voldoende is. Het corrigeren van een fout antwoord lijkt hier een belangrijk deel van het verhaal.
Maar wat met de oorspronkelijke vraag: stel je de vragen nu beter voor of na de video? Globaal genomen maakte het dus weinig verschil. De onderzoekers vonden geen algemeen voordeel van vragen vooraf boven vragen achteraf, of andersom. Er waren wel verschillen wanneer ze rekening hielden met de antwoorden van de leerlingen. Als een leerling een vraag correct beantwoordde, werkte die vraag achteraf beter dan dezelfde vraag vooraf. Als een leerling een fout antwoord gaf, was het patroon omgekeerd en deed voorafgaand bevragen het beter. Feedback hielp na een fout antwoord bij beide vormen.
De onderzoekers keken daarnaast naar mogelijke effecten op zelfregulerend leren, met ook niet echt eenduidige resultaten. Het stellen van vragen hielp leerlingen namelijk niet om beter in te schatten hoeveel ze hadden geleerd. Feedback zorgde zelfs voor een iets grotere zelfoverschatting, iets wat ik niet had verwacht. Tegelijk waren leerlingen die vragen hadden gekregen beter in staat om te beslissen of ze de video opnieuw moesten bekijken.
Er zijn uiteraard beperkingen. Het onderzoek werd uitgevoerd bij 223 leerlingen uit slechts twee scholen en alleen in HAVO en VWO. Bovendien bekeek men het leereffect vrijwel onmiddellijk. Na het bekijken van de video was er slechts een korte afleidingstaak voordat de leerlingen de uiteindelijke toets maakten. We weten dus niet of dezelfde verschillen een dag of een week later nog zichtbaar zouden zijn.
En er is nog iets om rekening mee te houden. Zeven vragen kwamen zowel in de eerdere vragenronde als in de uiteindelijke toets voor. Een deel van het gevonden voordeel kan dus simpelweg te maken hebben met het feit dat leerlingen die informatie nog een keer tegenkwamen. De onderzoekers erkennen dit zelf ook.
De praktische conclusie is daarmee ook iets minder spectaculair. Als je vragen toevoegt aan een instructievideo, denk dan vooral goed na over wat je bevraagt. Voor die informatie lijkt er winst mogelijk. En als een leerling een fout antwoord geeft, lijkt het verstandig om ook het correcte antwoord te geven. Of je de vragen vóór of na de video stelt? Op basis van deze studie lijkt dat minder belangrijk. En dat is goed nieuws, het betekent meer vrijheid om te variëren!
Ik vind het apart dat ik dit in 1978 gepubliceerd heb zowel in het Nederlands as in het Engels maar dat de Nederlandse auteurs er niets van weten!
Kirschner, P. A. (1978). The effect of adjunct question position, type, and the presence or absence of feedback on learning from a videotaped lesson. D. Brook & P. Rice (eds.), Aspects of Educational Technology XII, London: Kogan Page.
Van den Brink, H. J., & Kirschner, P. A. (1978). Het effect van ingelaste vragen op het leren van op videoband opgenomen lesmateriaal: Veldexperiment [The effect of adjunct questions on learning van videotaped learning materials: Field experiment]. Registratie, 10(3), 13-18.
Van den Brink, H. J., & Kirschner, P. A. (1978). Het effect van ingelaste vragen op het leren van op videoband opgenomen lesmateriaal: Laboratorium experiment [The effect of adjunct questions on learning van videotaped learning materials: Laboratory experiment]. Registratie, 20(4), 4-9.