10 slechte kanten van ons menszijn volgens de psychologie

BPS Digest toont 10 karaktertrekken van ons mens-zijn die psychologisch onderzoek heeft aangetoond. Ik geef hier de 10 trekken, check de post van Christian Jarrett voor de bronnen.

  • We view minorities and the vulnerable as less than human
  • We already experience schadenfreude at the age of four
  • We believe in Karma – assuming that the downtrodden of the world must deserve their fate
  • We are blinkered and dogmatic
  • We would rather electrocute ourselves than spend time in our own thoughts
  • We are vain and overconfident
  • We are moral hypocrites
  • We are all potential trolls
  • We favour ineffective leaders with psychopathic traits
  • We are sexually attracted to people with dark personality traits

Het goede nieuws: dit allemaal inzien, kan helpen de slechte kanten te overkomen…

Te weinig slaap is slecht, maar… te veel slaap ook

We weten allemaal het belang van genoeg slaap, maar een van de eerste resultaten uit een zeer grote slaapstudie waarbij blijkt dat te veel slaap dezelfde negatieve effecten heeft als te weinig. De curve zou een u-vorm hebben waarbij een volwassen persoon best tussen de 7 en 8 uur per nacht zou slapen.

Het onderzoek gebruikt data van meer dan 10000 proefpersonen, maar tegelijk zit daar ook wel de zwakte omdat er gebruik gemaakt werd van zelfrapportering.

Abstract van het onderzoek:

Most people will at some point experience not getting enough sleep over a period of days, weeks, or months. However, the effects of this kind of everyday sleep restriction on high-level cognitive abilities—such as the ability to store and recall information in memory, solve problems, and communicate—remain poorly understood. In a global sample of over 10000 people, we demonstrated that cognitive performance, measured using a set of 12 well-established tests, is impaired in people who reported typically sleeping less, or more, than 7–8 hours per night—which was roughly half the sample. Crucially, performance was not impaired evenly across all cognitive domains. Typical sleep duration had no bearing on short-term memory performance, unlike reasoning and verbal skills, which were impaired by too little, or too much, sleep. In terms of overall cognition, a self-reported typical sleep duration of 4 hours per night was equivalent to aging 8 years. Also, sleeping more than usual the night before testing (closer to the optimal amount) was associated with better performance, suggesting that a single night’s sleep can benefit cognition. The relationship between sleep and cognition was invariant with respect to age, suggesting that the optimal amount of sleep is similar for all adult age groups, and that sleep-related impairments in cognition affect all ages equally. These findings have significant real-world implications, because many people, including those in positions of responsibility, operate on very little sleep and may suffer from impaired reasoning, problem-solving, and communications skills on a daily basis.

Een uitgebreid pleidooi om schermtijd als oorzaak te zien van dalend welbevinden bij de jeugd

Vorig jaar publiceerde Jean Twenge een boek waarin ze stelde dat de (Amerikaanse) jongeren vandaag zich een pak minder goed voelen en dat volgens haar de oorzaak lag bij het stijgend gebruik van smartphones. Ze kreeg hierop veel kritiek – ook van mij – omdat haar data enkel een correlatie toeliet en het causaal verband niet aangetoond was. De economische crisis, slechte platen van U2,… er zouden zeer veel redenen kunnen geweest zijn.

In een nieuwe paper doet Twenge en haar team nu een zeer uitgebreide poging om hun punt verder te beargumenteren. De data staat nog steeds niet toe om causale verbanden aan te tonen, maar de onderzoekers proberen andere verklaringen uit te sluiten en groeven dieper in de data om nog fijnmaziger de mogelijke link te onderzoeken. En dan merken ze dat kinderen die meer hun telefoon gebruikten dan de kinderen die dit niet deden, zich slechter zouden voelen.

Het is een indrukwekkend werk, maar ik vrees dat ik toch sceptisch blijf om een eenvoudige reden, namelijk andere landen. Als we naar Nederland kijken, hebben we misschien geen data sinds de jaren zestig, maar wel sinds 2000 over hoe gelukkig de Nederlandse jeugd is en dat is ruim voor de daling die Twenge beschrijft in 2012. En die daling lijkt me niet in dezelfde zin zichtbaar terwijl de Nederlandse jeugd wel zeer intensief hun mobiele telefoon begon te gebruiken.

Wil het werk van Twenge en haar collega’s zeker niet wegzetten als onbelangrijk of verkeerd, maar er is nog meer werk aan de winkel.

Abstract van het onderzoek:

In nationally representative yearly surveys of United States 8th, 10th, and 12th graders 1991–2016 (N = 1.1 million), psychological well-being (measured by self-esteem, life satisfaction, and happiness) suddenly decreased after 2012. Adolescents who spent more time on electronic communication and screens (e.g., social media, the Internet, texting, gaming) and less time on nonscreen activities (e.g., in-person social interaction, sports/exercise, homework, attending religious services) had lower psychological well-being. Adolescents spending a small amount of time on electronic communication were the happiest. Psychological well-being was lower in years when adolescents spent more time on screens and higher in years when they spent more time on nonscreen activities, with changes in activities generally preceding declines in well-being. Cyclical economic indicators such as unemployment were not significantly correlated with well-being, suggesting that the Great Recession was not the cause of the decrease in psychological well-being, which may instead be at least partially due to the rapid adoption of smartphones and the subsequent shift in adolescents’ time use. (PsycINFO Database Record (c) 2018 APA, all rights reserved)


Emotion

Editor Paula Pietromonaco

Ook tieners vinden dat ze teveel op hun telefoon zitten (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Tieners en telefoons zijn een probleem. Toen ik zelf tiener was, klaagde mijn moeder over de eindeloze gesprekken die ik aan de lijn had (“fiets er even heen” zei ze dan). Tegenwoordig gaan de zorgen over schermtijd: afleiding, slaapproblemen, afhankelijkheid. Ook tieners zelf vinden dat ze teveel tijd doorbrengen op hun telefoon, zo laat een recente studie van Pew Internet zien. Er werden 743 tieners (13-17) en hun 1o58 ouders ondervraagd.

De resultaten maken duidelijk hoe tieners maatschappelijke opvattingen overnemen. Onderstaande grafieken geven enige inzicht, beneden meer toelichting.

Emoties
Ongeveer de helft van de tieners vindt dat van zichzelf dat ze teveel op hun telefoon zitten. Negen van de tien vindt in het algemeen dat teveel tijd online een probleem is voor mensen van hun leeftijd. Iets meer dan de helft onderneemt actie om hun telefoongebruik te beperken. Ook hun gebruik van sociale media (57%) en games (58%) leggen ze aan banden, dit terwijl de percentages van tieners die vinden dat ze teveel tijd doorbrengen met sociale media en games lager liggen, respectievelijk 41 en 26 procent. Opmerkelijk: slechts 45 procent geeft aan dat ze bijna constant online zijn.

De onderzoekers bevroegen vijf emoties die mogelijk gepaard gaan met gescheiden zijn van je telefoon. ‘Bezorgd’ [anxious] wordt het meest genoemd (42%), gevolgd door eenzaam (25%) en ontdaan (24%). Tegelijkertijd zegt 17 procent blij of opgelucht te zijn als hun telefoon niet in de buurt is. 28 procent zegt dat geen van deze emoties op hen van toepassing is.

Er zijn sekseverschillen. Meisjes geven eerder aan teveel op de socials te zitten (47% vs. 35%) en jongens meer op games (11 tegenover 41%). Meisjes voelen zich ook eerder bezorgd en eenzaam zonder telefoon.

Ouders
Ouders maken zich zorgen over de effecten van schermtijd van anderen: ruim tweederde vindt dat hun tieners teveel op hun telefoon zitten. 57 procent stelt dat ze schermtijd beperken.

De tieners vinden dat het vervelend dat hun ouders tijdens een gesprek met hen afgeleid zijn door hun telefoon: 51 procent zegt dat. Ouders zelf zien dat minder: slechts 36 procent van hen zegt dat ze teveel met hun telefoon bezig zijn.

De onderzoeker die ons de Marshmallow test gaf is overleden: Walter Mischel

Het is een klassieker voor veel mensen, de Marshmallow test. Ik postte er al af en toe berichten over. De man die het oorspronkelijke onderzoek bedacht, Walter Mischel is dit weekend overleden. Hier een interview met Mischel over zelfcontrole:

Ouders die het meest bezorgd zijn om de privacy van hun kind, sharenten het meest! (Linda Duits)

Een nieuwe blogpost van Linda Duits, eerst gepubliceerd op dieponderzoek.nl.

Kinderen groeien op in een digitaal tijdperk en dat betekent automatisch dat ouders hen digitaal moeten opvoeden. De Britse communicatiewetenschapper Sonia Livingstone leidt een groot onderzoeksproject over online privacy, waarbij het hele gezin betrokken wordt. Zo voerde haar team onder andere een studie uit naar de opvattingen van ouders over de privacy van hun kinderen.

De vragenlijst werd afgenomen onder 2032 ouders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 17 jaar. Het gaat om mensen uit het Verenigd Koninkrijk, waar ouders (net als in België) meer beschermend zijn als het gaat om het online gedrag van hun kinderen dan in Nederland (wij zijn ‘gesteunde risicoverkenners’, zie deze blogpost). Een ander verschil is dat de internetdekkingsgraad in het Verenigd Koninkrijk lager ligt dan bij ons. Dat blijkt bijvoorbeeld ook het hoge percentage (meer dan 10 procent) dat aangeeft niet online te gaan wegens een zwak internetsignaal in hun buurt.

Privacyzorgen vormen een belangrijke reden voor de ondervraagde ouders om niet online te gaan: 17 procent noemt dit. Tijdgebrek is de meest voorkomende reden (26%), de nummer 3 is ‘het is niet voor mensen zoals ik’.

Frequentie van sharenting: 

  • Driekwart van de ouders deelt foto’s van hun kinderen online – met een lelijk woord heet dit sharenting. Ruim de helft daarvan zegt dat alleen te doen met familie en vrienden (<20 mensen). Slechts 10 procent zegt dit te doen met meer dan 200 contacten en 3 procent doet het wel eens op een openbaar platform. Kritische noot hierbij is of ouders wel weten met wie ze wat delen. Wellicht was het beter hier te vragen naar platform: deel je via whatsapp(groepen), via Facebook, via Instagram?
  • Sharenting is een functie van leeftijd: 60 procent van de ouders deelt foto’s van kinderen onder de 4 jaar, 47 procent van kinderen tussen de 13 en 17.
  • Een kwart van de ouders die wel eens foto’s delen doet dit vaak: minimaal eens per week iets. 63 procent geeft aan in de laatste maand 1-9 beelden te hebben gedeeld, 12 procent 10-29 beelden.
  • Hoe jonger de ouders en hoe hoger opgeleid, hoe meer ze sharenten. Geslacht speelt daarbij geen rol.
  • Opmerkelijk: 9 procent ouders die eerder in de vragenlijst hadden aangegeven dat ze wel eens een foto van hun kind hadden gedeeld, antwoordde op een andere vraag dat ze dat nooit hadden gedaan.

Overwegingen bij sharenting: 

  • De helft van de sharenting ouders doet dit om contacten met familie en vrienden te onderhouden. Vooral moeders en ouders van jonge kinderen zeggen dit.
  • Een kwart geeft aan weinig kwaads te zien in sharenting. Dat betekent dat driekwart dat wel ziet.
  • Een kwart heeft van te voren aan hun kind gevraagd of ze hun beeltenis mochten delen. Logischerwijs zijn dit vooral ouders van tieners, maar ook vaders en oudere ouders geven dit vaker aan.
  • Slechts 5 procent heeft wel eens spijt gehad van sharenting. Dit zijn vooral vaders en hoogopgeleide ouders.
  • De ouders die het meest bezorgd zijn om privacy, zijn ook de ouders die het meeste delen. Zij zijn vaker door hun kind gevraagd om een foto te delen én zij hebben vaker met het kind overlegd voordat ze de foto deelden.

Vaardigheden

  • Ouders hebben meer vertrouwen in hun eigen privacyvaardigheden dan in die van hun kinderen.
  • 58 procent van de ouders kan hun settings veranderen, 57 procent kan mensen uit hun contacten verwijderen en 53 procent kan beslissen welke informatie ze online delen. Moeders rapporteren vaker dat ze dit beheersen dan vaders (vaders vinden zichzelf beter in creatieve vaardigheden zoals programmeren en content maken). Hoger opgeleide ouders en ouders van jonge kinderen rapporteren meer vaardigheden.
  • Meer dan de helft van de ouders van kinderen van 9-17 jaar denkt dat hun kinderen mensen uit hun contactenlijst kunnen verwijderen, de helft dacht dat ze hun settings kunnen veranderen. 44 procent achtte kun kinderen in staat te kunnen beslissen welke informatie te moeten delen online.
  • Veel ouders vinden dat hun kinderen niet in staat zijn zelfstandig het internet te gebruiken en vinden dat ze het recht hebben hun kind te controleren. Dit leidt tot monitoring van het gedrag van kinderen. Hoe ouder het kind, hoe meer ouders vinden dat het recht heeft op privacy – zie figuur.

Hoe beïnvloeden kinderen de opvoedingsstijl van ouders

Meestal stellen we de vraag omgekeerd: wat is de invloed van de opvoedingsstijl van ouders op hun kinderen. Maar onderzoekers gebruikten nu tweelingenonderzoek om aan te tonen dat er minstens sprake is van wederzijdse beïnvloeding.

Waarom tweelingenonderzoek? Als eeneiige (monozygote) tweelingen meer uniform behandeld worden dan tweeeiige (dizygote) , dan hebben de kinderen een invloed op de ouders. En dat bleek effectief te kloppen. 27 procent in de verschillen tussen hoe warm ouders reageren kon gelinkt worden aan de genetica van hun kinderen. 45 procent van de verschillen in het stressniveau van kinderen kon ook gelinkt worden aan de invloed van de kinderen.

Wellicht zal dit ouders niet direct verbazen. De onderzoekers konden een link leggen – door de eerder verzamelde data – met persoonlijkheid van de kinderen, maar dit bleek zeker niet alles van de correlatie te verklaren.

Wat wel een minpunt is van deze studie, is dat de onderzoekers enkel een momentopname konden gebruiken. Een longitudinale studie zou hier zeer welkom zijn.

Abstract van het onderzoek:

Parenting is often conceptualized in terms of its effects on offspring. However, children may also play an active role in influencing the parenting they receive. Simple correlations between parenting and child outcomes may be due to parent-to-child causation, child-to-parent causation, or some combination of the two. We use a multirater, genetically informative, large sample (n = 1,411 twin sets) to gain traction on this issue as it relates to parental warmth and stress in the context of child Big Five personality. Considerable variance in parental warmth (27%) and stress (45%) was attributable to child genetic influences on parenting. Incorporating child Big Five personality into the model roughly explained half of this variance. This result is consistent with the hypothesis that parents mold their parenting in response to their child’s personality. Residual heritability of parenting is likely due to child characteristics beyond the Big Five.

Vertraagt IQ ouder worden

Op basis van data van Wisconsin Longitudinal Study hebben onderzoekers vastgesteld dat wie een hoger IQ heeft in zijn tienerjaren en als jonge twintiger, zich jonger zal voelen op zijn zeventigste. De onderzoekers stelden vast dat deze zeventigers zich een gemiddelde 17% jonger voelden dan hun leeftijd.

Het onderzoek is natuurlijk een correlatie, voor alle duidelijkheid. De onderzoekers vonden verder een link met een welbepaalde persoonlijkheidstrek, namelijk meer open zijn voor ervaringen (wat sowieso ook vaker gelinkt is aan een hogere intelligentie). Dit zou er dan samen met IQ voor zorgen dat je makkelijker met bepaalde uitdagingen in het leven kan omgaan.

En voor iedereen die nog denkt dat IQ vast zou liggen bij geboorte, bijvoorbeeld elk jaar onderwijs kan IQ 1 tot 2 punten doen stijgen.

Abstract van het onderzoek:

Subjective age predicts consequential outcomes in old age, including risk of hospitalization, dementia, and mortality. Studies investigating the determinants of subjective age have mostly focused on aging-related factors measured in adulthood and old age. Little is known about the extent to which early life factors may contribute to later life subjective age. The present study examined the prospective association between IQ in adolescence and subjective age in later life and tested education, disease burden, adult cognition, and personality traits as potential mediators. Participants (N = 4494) were drawn from the Wisconsin Longitudinal Study. Data on IQ were obtained in 1957 when participants were in high school. Education, disease burden, cognition, and personality were assessed in 1992–1993, and subjective age was measured in 2011 at age 71 (SD = 0.93). Accounting for demographic factors, results revealed that higher IQ in adolescence was associated with a younger subjective age in late life. Bootstrap analysis further showed that this association was mediated by higher openness. The present study suggests that how old or young individuals feel is partly influenced by lifespan developmental processes that may begin with early life cognitive ability.