De zesde Teacher Tapp podcast: Wat heeft ons onderwijs nu nodig?

In deze aflevering staat de volgende vraag centraal: wat heeft ons onderwijs nodig. Om deze vraag te beantwoorden stelde Teacher Tapp een open vraag en konden alle gebruikers suggesties geven.Deze suggesties werden gebundeld en verwerkt tot meerkeuzevragen of stellingen die dan weer naar alle respondenten werden gestuurd. Zo kreeg Teacher Tapp een duidelijk beeld van wat leerkrachten, directies en ondersteuners dringend nodig vinden in ons onderwijs.

We bespreken deze resultaten met Geert De Meyer. Geert is lector aan de Arteveldehogeschool en werkt ook voor Teacher Tapp. Hij schreef mee aan het eindrapport dat je hier kan nalezen en analyseerde de resultaten.

Lectuur op zaterdag: frisbees, blauwe hyperlinks en doden die moordenaar worden (en meer)

De weekendbijlage bij deze blog:

Ten slotte een leuk wedstrijdje voor dit weekend: deze filmposters zijn gemaakt door AI op basis van een korte beschrijving van de film. Raad jij de film?

Gebruik je handen #KleineDingen S1E05

Beeldmateriaal gebruiken kan helpen met leren, denk aan de dual channel of dual coding theorie.
Maar… vergeet hierbij het signaliseringsprincipe niet.
Signalering houdt in dat de aandacht naar kritische aspecten van het leermateriaal wordt gestuurd. Dit voorkomt dat cursisten moeten zoeken naar belangrijke informatie. Signalering leidt tot beter leren en zorgt ervoor dat cursisten het leermateriaal beter waarderen. (bron)
Nog redenen om je handen te gebruiken? Check deze post.
Nog meer kleine (en grote!) dingen die het verschil kunnen maken vind je in het boek Klaskit, check ook de cursussen op https://klaskit.com/

 

De kracht van het collectief geloof: collective student efficacy

Voor het nieuwe boek van het Jeugdonderzoeksplatform schreef ik een concept waar John Hattie op hetzelfde moment een boek over schreef: Collective Student Efficacy. Beide kwamen in juni uit, en nee, we wisten niet van elkaar :).

Dit zijn de inleidende woorden:

De voorbije jaren lijkt er steeds meer aandacht te gaan naar de individuele ontwikkeling van het kind of de jongere. Dat is merkbaar in de verschillende pleidooien voor gepersonaliseerd onderwijs als een doorgedreven evolutie van gedifferentieerd onderwijs (Simons & Masschelein, 2017). Toch is het belangrijk te beseffen dat onderwijs niet enkel draait om kwalificatie of subjectificatie, ofwel het behalen van startcompetenties vertaald in een getuigschrift of diploma enerzijds en de best mogelijke versie van jezelf worden anderzijds. Ook socialisatie, leren samenleven is een belangrijke taak van onderwijs (Biesta, 2011). Het is cruciaal dat daarbij een evenwicht bestaat tussen deze verschillende taken. Overdreven focus op kwalificatie kan leiden tot teaching to the test, overdreven focus op subjectificatie kan leiden tot individualisering of pretpakketten, een te sterke focus op socialisatie tot reproductie van de samenleving. Dit hoofdstuk wil een nieuw concept introduceren om naar leerlingen op school te kijken, waarbij verder gekeken wordt dan puur evenwichtsdenken. Er wordt eerder een expliciete link gelegd tussen het collectieve element van samen leven op school, net als mogelijke voorwaarde of positieve factor in het ontwikkelen van zowel kwalificatie als subjectificatie bij leerlingen, namelijk collective efficacy.

In wat volgt beschrijven we wat collective teacher efficacy is, maar stellen we ook een nieuw te onderzoeken concept voor, namelijk collective student efficacy. Dat concept kan inspireren om op een alternatieve manier naar onderwijs en de klas te kijken.

De rest van het hoofdstuk vind je in “Over leven op school“, te koop bij ACCO of als E-boek hier te downloaden.

De beweegredenen van vaccinatieweigenaars (Linda Duits)

Deze post verscheen eerst op dieponderzoek.nl.

Pas nu een grote meerderheid van de bevolking gevaccineerd is lijkt er een maatschappelijk debat te ontstaan over de vaccinatieweigeraars. Voor zorgmedewerkers is de groep een enorm probleem. Ze weigeren niet alleen vaccins, maar ook mondkapjes – zelfs als ze met serieuze coronaklachten binnenkomen. Het leidt tot frustratie over vermijdbaar lijden onder het personeel.

Als we deze groep willen overhalen om zich toch te beschermen tegen corona, moeten we eerst weten waarom ze hun huidige keuze hebben gemaakt. In het project ‘De Maatschappelijke Impact van COVID-19’, gefinancierd door ZonMw, werken verschillende universiteiten en gemeentes samen aan onderzoek. Deze week verscheen een working paper over de beweegredenen vaccinatieweigeraars.

Methode
In het project worden surveys afgenomen, met zowel gesloten als open vragen. Dit paper is gebaseerd op data verzameld in maart 2021 onder 24.227 respondenten. Vijftien procent van deze ondervraagden gaf toen aan niet gevaccineerd te willen worden. Zij kregen vervolgens de open vraag waarom niet. Daarop hebben 688 respondenten geantwoord – dat is slechts 19 procent van de respondenten die zich niet wilden laten vaccineren, een lage respons dus. Vrouwen, jongeren en lageropgeleiden gaven vaker antwoord. De resultaten zijn daarom niet representatief voor de bevolking, maar het onderzoek is wel degelijk relevant omdat het inzicht geeft in bestaande motieven en het relatieve belang ervan voor deze mensen.

De antwoorden zijn handmatig gecodeerd en de verkregen motieven zijn vervolgens voorgelegd aan zorgprofessionals in focusgroepen. Zo zijn vervolgens een aantal handelingsperspectieven geformuleerd.

Beweegredenen van weigeraars
De onderzoekers komen tot drie hoofdcategorieën, die elkaar niet uitsluiten:

1. Vertrouwen in het eigen lichaam
Ongeveer een kwart van de genoemde redenen valt hieronder. Het gaat om mensen die vinden dat zij gezond zijn, een sterk immuunsysteem hebben en/of niet kwetsbaar zijn. Zij vinden een vaccin daarom niet nodig. Ook mensen die het al gehad hebben passen in deze categorie.

2. Zorgen over bijwerkingen
Ruim een derde van de redenen is samen te vatten onder deze noemer. Het zijn enerzijds mensen die zich directe angst hebben voor bijwerkingen op de korte of lange termijn en anderzijds mensen die geen proefkonijn willen zijn. Het zijn bijvoorbeeld mensen die medicatie gebruiken of zwanger zijn, of die het vaccin niet vertrouwen omdat ze menen dat het zich nog in een experimentele fase bevindt.

3. Wantrouwen in vaccin en betrokken instanties
Uit een derde van de genoemde redenen spreekt wantrouwen, al is het niet altijd duidelijk naar wie of wat. Wanneer dat wel benoemd wordt, gaat het om instanties als WHO, RIVM en GGD, en de farmaceutische industrie. Ook de regering wordt niet vertrouwd. Daar zitten gradaties in. Er zijn mensen die sterke twijfels hebben en vinden dat er te weinig ruimte is voor kritiek, dat ze worden weggezet als viruswappie. Er zijn mensen die vinden dat het vaccinatieprogramma een “hoog propaganda-gehalte” heeft, of dat de wetenschap “arrogant” is. Er is ook dieper wantrouwen, waarbij complottheorieën worden aangehaald en het bestaan van het virus wordt ontkend.

Perspectieven van zorgprofessionals 
De geïnterviewde zorgprofessionals herkenden de beweegredenen. Zij zeggen dat het vaak gaat om gelegenheidsargumenten: “als het ene argument wordt weerlegd, wordt een ander argument gebruikt, waarbij mensen zich baseren op diverse informatiebronnen” (p. 5). Deze huisartsen hekelden de overheidscommunicatie omdat ze vonden dat vaak te moeilijk was, bijvoorbeeld voor mensen die Nederlands niet als moedertaal hebben en laaggeletterden.

Zij vonden ook dat er te weinig is gekeken naar obstakels, zoals de bereikbaarheid en nabijheid van priklocaties. Bovendien vonden ze dat partijen als GGD en gemeentes slecht met hen samenwerkten. Zij zien zichzelf als “onmisbare schakel in het bereiken van bepaalde doelgroepen, vanwege de relatie die zij hebben opgebouwd met patiënten” (p. 8).

Aanbevelingen
De onderzoekers komen tot zeven zogeheten handelingsperspectieven voor beleidsmakers en professionals:

1. Erken verschillende perspectieven en ga het gesprek onbevooroordeeld aan;
Dat betekent ook twijfelaars niet afschilderen als wappies.

2. Parallel aan vaccinatiebeleid voor doelgroepen met een hoge vaccinatiebereidheid moet vanaf het begin aandacht komen voor moeilijker te bereiken groepen;

3. Identificeer sleutelfiguren en -organisaties en zet deze in voor het bereiken van specifieke doelgroepen;

4. Bied ruimte aan flexibiliteit en creativiteit in het opgestelde beleid;

5. Geef gemeentebesturen samen met de GGD een rol in het nadenken over lokale vaccinatiestrategieën;

6. Maak meer gebruik van eerstelijns professionals en hun netwerk binnen het sociale domein;

7. Evalueer en reflecteer op gezette tijden met de meest betrokken stakeholders het gevoerde beleid en sta open voor tegenspraak.

Vlaanderen moet meer lezen: de 12 krachtlijnen van het leesoffensief in Vlaanderen

Lezen is belangrijk en de voorbije tijd heeft het leesoffensief in Vlaanderen met veel mensen gepraat en hard gewerkt aan een adviesnota die nu kan gedeeld worden.

Dit zijn de twaalf krachtlijnen:

  1. De uitdagingen zijn groot, maar we vertrekken niet van nul: er zijn veel goede praktijken, het enthousiasme en de expertise zijn er om het tij te keren.
  2. Het Leesoffensief wil de dalende leesvaardigheid en leesmotivatie in Vlaanderen aan de wortel aanpakken, op een samenhangende en systemische manier. Langdurige gedragsverandering vraagt immers een structurele aanpak.
  3. We pakken leesvaardigheid (technisch en begrijpend lezen) en leesmotivatie geïntegreerd aan, als deel van een breed cluster van kennis, vaardigheden en attitudes die op elkaar inwerken, als een complexe competentie die onlosmakelijk verbonden is met andere competenties als spreken, luisteren en schrijven.
  4. We maken van het Leesoffensief een brede maatschappelijke uitdaging en trekken iedereen in hetzelfde ‘leesbad’: (groot)ouders, opvoeders, leraren, lerarenopleiders, kinderbegeleiders, bibliotheekmedewerkers, jeugdwerkers en ook beleidsmakers. Alleen samen kunnen we een wezenlijk en duurzaam verschil maken.
  5. De basis van leesvaardigheid, leesmotivatie en leesplezier wordt lang voor het formele leesonderwijs gelegd: met voorlezen en brede taalstimulering maak je kinderen bewust van klanken, letters en woorden. En je wakkert de liefde voor taal en verhalen aan. We beginnen daarom bij de allerjongsten en maken alle ouders, grootouders, opvoeders, kinderbegeleiders en kleuterleid(st)ers bewust van de cruciale rol die zij te spelen hebben.
  6. Het Leesoffensief wil iedereen aan het lezen krijgen – ook adolescenten, kinderen en volwassenen met een leesbeperking, anderstalige nieuwkomers en mensen in kwetsbare leefsituaties. We hanteren dan ook een fijnmazige aanpak, grijpen de kansen binnen de onderwijscontext maximaal, maar vergeten ook de buitenschoolse context niet en nemen lokale brugfiguren, socio-culturele organisaties, en de buitenschoolse opvang en activiteiten mee, met de bibliotheek als centrale partner. We vergeten daarbij de kinderbegeleiders- en leraren-in-opleiding niet: zij kunnen mee het verschil maken voor toekomstige generaties.
  7. We creëren voor alle doelgroepen kwalitatieve leesomgevingen, die uitnodigen om te lezen en te blijven lezen: via een aantrekkelijk, inclusief en toegankelijk boekenaanbod, zowel digitaal als niet-digitaal, en zichtbare, inspirerende leesplekken. De bibliotheek vormt de spil in het lokale leesnetwerk en wordt versterkt in haar leesbevorderende opdracht.
  8. Doorheen alle leescontexten, schools én buitenschools (thuis, kinderopvang, vrije tijd, verenigingsleven), ontwikkelt het Leesoffensief drie instrumenten die samen de kwaliteit en coherentie ervan bewaken: een kader, een scan, en bijhorende vorming of professionalisering. Zij reiken iedereen de handvaten aan om op een geïntegreerde en evidence-informed manier te werken aan het verbeteren van leesvaardigheid en leesmotivatie: ze inspireren de niet-professional, ondersteunen de professional en geven mee invulling aan de ‘doorgaande leeslijn’ van 0 tot 20 jaar, en verder. Om de gedragenheid ervan maximaal te maken, worden zij samen met en op maat van de diverse doelgroepen in het onderwijsveld en de brede socio-culturele sector uitgewerkt.
    1. een (voor)leeskader – onderzoeksgeïnformeerde informatie en inspiratie rond goed (voor)lezen en hoe anderen erbij te helpen.
    2. een (voor)leesscan – een instrument aan de hand waarvan elk kinderopvanginitiatief, elke school of socio-culturele organisatie reflectie kan opstarten over hun huidige leesaanpak, over hoe ze in hun werking meer aandacht kunnen besteden aan (voor)lezen, leesomgeving en leescultuur, en over hoe het traject daarnaartoe vorm te geven.
    3. vorming/professionalisering – een kwaliteitsvol aanbod op maat van de doelgroep om het (voor)leeskader om te zetten in eigen (didactisch) handelen en de resultaten van de (voor)leesscan te vertalen naar concrete acties.
  9. Een duurzaam Leesoffensief vraagt een gerichte onderzoeksaanpak en langdurig, praktijkgericht en participatief onderzoek: onderzoek dat de (voor)leespraktijken in Vlaanderen op de huid zit, wendbaar inspeelt op de noden die leven op het terrein, en tegelijk inzet op de vertaalslag van internationale onderzoeksresultaten naar de Vlaamse context. De vlotte doorstroming van de onderzoeksresultaten naar alle betrokken actoren – ook naar de leermaterialen die door de educatieve uitgeverijen worden ontwikkeld – en de communicatie over de goede praktijken en successen die worden geboekt, maken integraal deel uit van deze onderzoeksagenda.
  10. Een uitdaging van deze omvang vraagt een sterke coördinatie, waarbij alle betrokkenen in Vlaanderen beleidsdomeinoverstijgend en van bij de start afstemmen, samen de koers uitzetten én monitoren en evalueren wat wordt uitgerold.
  11. De boodschap van het Leesoffensief moet luid en duidelijk klinken. Ze wordt daarom kracht bijgezet met een volgehouden, meerjarige communicatiecampagne.
  12. De problemen aan de wortel aanpakken, vraagt niet alleen focus, ambitie en tijd, maar ook middelen. Investeren in lezen is echter investeren in de toekomst van Vlaanderen, haar burgers en haar welvaart.