Leende Freud zijn ideeën van iemand anders?

Via Neuroskeptic ontdekte ik dit artikel van Harry Oosterhuis waarin de auteur stelt op basis van historische analyses dat Freud zijn ideeën voor Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie haalde bij Moll. Die publiceerde twee jaar na Freud een boek waarbij Freud stelde dat Moll zijn ideeën bij hem had gehaald. Nu blijkt echter dat Moll veel al schreef voor de eeuwwisseling in “Untersuchungen über die Libido sexualis” en… dat Freud dat boek had en er aantekeningen in maakte.

Heeft Freud plagiaat gepleegd qua ideeën, dat is moeilijk te zeggen, maar het valt niet meer te ontkennen dat Freud wel degelijk van het werk van Moll wist waar toch zeer gelijklopende ideeën in voorkwamen:

Since he read Moll’s Untersuchungen thoroughly, Freud must have been aware that most of his professed innovations had been articulated by Moll eight years earlier. The fact that Freud did not pay fair tribute to Moll casts doubt on his integrity. Or did he suffer from another attack of ‘cryptomnesia’: a form of amnesia rooted in the unwillingness to give up one’s claim to originality?

Abstract van het onderzoek:

This article explores the antagonism between Sigmund Freud and the German neurologist and sexologist Albert Moll. When Moll, in 1908, published a book about the sexuality of children, Freud, without any grounds, accused him of plagiarism. In fact, Moll had reason to suspect Freud of plagiarism since there are many parallels between Freud’s Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie and Moll’s Untersuchungen über die Libido sexualis. Freud had read this book carefully, but hardly paid tribute to Moll’s innovative thinking about sexuality. A comparison between the two works casts doubt on Freud’s claim that his work was a revolutionary breakthrough. Freud’s course of action raises questions about his integrity. The article also critically addresses earlier evaluations of the clash.

Een stukje over onderwijs en onderzoek, Di en meer…

Donderdag verscheen er een interview in De Standaard met Philip Brinckman en vandaag kwam er een reactie in diezelfde krant van meer dan 500 lerarenopleiders. Ik heb gisteren lang getwijfeld of ik zou meetekenen toen ik ’s avonds de brief las, maar deed het uiteindelijk niet. Niet omdat mijn collega’s geen zeer valabele en terechte punten maken, integendeel. Tegelijk knaagde er iets bij me toen ik de tekst las waardoor ik dit stuk nu schrijf.

Eerst over het interview met Philip Brinckman, nog los van de inhoudelijke uitspraken. Ik vrees dat door het interview de commissie die hij moet leiden zeer zware averij opgelopen heeft. Ik wil nog verder gaan, terwijl ik de man niet persoonlijk ken en zeker niets tegen de man heb, was het misschien niet een goed idee om hem Dirk Van Damme te laten opvolgen. Dirk Van Damme heeft een vrij unieke positie in het onderwijsdebat en is wellicht door niemand echt te vervangen. Je hebt iemand nodig die boven het gewoel uitkomt, wil je iedereen meekrijgen. Dit lijkt nu niet het geval. En dat is ronduit zonde, want dat er behalve heel veel goeds in het Vlaamse onderwijs gebeurt, is er wel degelijk werk aan de winkel op veel vlakken.

Een van de inhoudelijke elementen in het interview en in de reactie draait rond Directe Instructie (DI). Hierbij vraag ik me al langer dan vandaag af of veel voor- en tegenstanders DI echt wel kennen of bedoelen. Ze hoeven nog niet per se het werk van bijvoorbeeld Engelmann gelezen te hebben, maar corrigeer me als ik verkeerd ben: in de volksmond lijkt het vaak gewoon een synoniem voor leerkrachtgestuurd versus niet leerkrachtgestuurd, terwijl DI wel een pak meer is dan dat. Ik mis trouwens ook vaak de oorspronkelijk en belangrijke link tussen DI en gelijke kansen in dergelijke debatten. Titels in kranten als dat DI ouderwets onderwijs zou zijn, helpen in deze ook niet echt. Ik ben het eens met de briefschrijvers dat DI en zelfontdekkend leren beide hun rol in het leerproces hebben, ik bepleitte zelf expliciet voor zoveel in Klaskit. Maar tegelijk lijkt DI vandaag toch nog iets vaker een bijna bottom up verhaal te zijn dat eerder door leraren in de praktijk omarmd wordt dan dat het terdege aangeleerd werd.

Er gebeurt vandaag heel veel moois in de lerarenopleidingen, met vaak steeds minder personeel wegens dalende studentenaantallen. Ik was zeer blij te lezen over het belang van onderwijsonderzoek in de lerarenopleiding. Als pleitbezorger voor evidence-informed onderwijs, kan ik enkel maar driftig ja zitten knikken. Toch is het ook gezond bij dit alles in eigen hart te kijken. Ik weet van mezelf bijvoorbeeld hoeveel ik de voorbije 20 jaar heb meegegeven aan studenten dat achteraf niet bleek te kloppen. Voortschrijdend inzicht is eigen aan onderzoek, iets wat we de voorbije maanden genoeg gemerkt hebben op een ander domein. Maar hoe snel sijpelt dit onderzoek door, met respect voor de complexiteit? Uit onderzoek van Surma et al (2018) bleek dat nog niet zo lang geleden er wel nog een behoorlijke weg af te leggen is om effectieve strategieën mee te geven in de lerarenopleidingen in Vlaanderen en Nederland. Ik zie dat hier zeker aan gewerkt wordt, maar tegelijk vraag ik me af hoeveel tijd er vandaag nog steeds besteed wordt aan iets als bijvoorbeeld meervoudige intelligenties, een theorie waarvan de bedenker zelf al decennia zegt dat ze volgens hem verkeerd toegepast wordt in onderwijs en iets recenter aangaf dat ze volgens hemzelf compleet achterhaald is. Als mythbuster krijg ik behoorlijk wat berichten en de voorbije 12 maanden werd ik geconfronteerd met voorbeelden uit Vlaamse en Nederlandse lerarenopleidingen van onder andere pseudowetenschap als neurolinguïstisch programmeren (NLP), MBTI-achtige benaderingen rond persoonlijkheid en opvallend vaak nog steeds de klassieker onder de onderwijsmythes, leerstijlen. Ik hoop echt dat dit wellicht de uitzonderingen op de regel waren die ik toegezonden kreeg omwille van mijn speciale ‘hobby’. Tegelijk  zag ik in een andere reactie dan de brief op het interview met Brinckman wel al terug geflirt met een even achterhaald idee als dat er een zaligmakend aanpak voor onderwijs zou bestaan.

Het mooiste aan de brief vond ik deze passage:

We kunnen ons niet voorstellen dat zijn uitspraken bedoeld waren als een negatieve evaluatie van ons werk. We willen graag met hem in gesprek gaan om te zoeken naar nuance en een vruchtbare samenwerking. We hopen dat de expertengroep die Brinckman voorzit, haar debat over de toekomst van het onderwijs zal voeren met inachtneming van onderzoek rond de complexiteit van leer- en onderwijsprocessen.

Maar besef hierbij vooral ook dat daar een belangrijke opdracht voor onszelf staat als lerarenopleider…

P.S.: Op twitter schreef ik dat ik twijfelde of ik een stuk zou schrijven waarbij ik vreesde dat ik iedereen kwaad zou maken. Het is wellicht milder geworden dan die tweet aankondigde, sorry voor wie hierop hoopte. Ik schreef wel een jaar geleden zo een stuk, al leek iedereen dat vooral te negeren 😉.

Lectuur op zaterdag: de epische strijd tegen misinformatie, waarom tijgers wel en vleermuizen niet, reply-moeheid en meer

De weekendbijlage bij deze blog:

Tot slot: de beste titel voor een artikel in jaren (lees en denk goed na…)

Mijn lezing van gisteren over Onderwijs tijdens en na Corona

Gisteren gaven Bert Smits en ikzelf een webinar voor LannooCampus. Honderden mensen volgden mee, maar nog meer mensen konden het niet meemaken. Alles werd gefilmd, maar… er ging tijdens mijn stuk vanalles technisch mis. Dus heb ik gisteravond alles opnieuw gedaan en gefilmd. Voor de mensen die de sessie volgden, op een paar kleine punten, is het verhaal identiek, maar misschien iets beter uitgelegd omdat ik niet afgeleid werd door de technische issues.

Voor de mensen die de Engelstalige video al zagen: de eerste helft is gelijk (op enkele nieuwe onderzoeken na), de tweede helft is wat meer ingrijpend aangepast al blijven de trefwoorden gelijk.

Grafiek van de dag: hoe evolueerden het aantal jaren dat we gemiddeld naar school gingen tussen 1870 en 2017?

Het nieuwe Apestaartjaren onderzoek is er: hoe gaat het digitaal met onze kinderen en jongeren?

Kreeg een paar dagen geleden het nieuwe Apestaartjarenonderzoek in de bus. Dit tweejaarlijkse onderzoek houdt de digitale vinger aan de pols van onze kinderen en jongeren. Wat vooral opvalt zijn hoe de tendensen over de tijd zich verder zetten. Persoonlijk was ik verbaasd over de mindere populariteit van Tik Tok in de peiling in vergelijking met de aandacht die ik voor de toepassing zie. Dat het vooral iets voor kinderen is, lijkt bevestigd. Oh, en voor sommige tweeps 🙂 .

De eigenlijke rapporten kan je hier vinden.

Dit is de samenvatting met de belangrijkste inzichten:

Het Apestaartjaren-onderzoek is een tweejaarlijkse bevraging door Mediaraven, Mediawijs en imec-mict van de Universiteit Gent. Het onderzoek brengt niet alleen de digitale leefwereld van kinderen en jongeren in kaart, maar toont ook hoe ze daar invulling aan geven en welke uitdagingen dat met zich meebrengt. 

Het onderzoek bestaat uit twee bevragingen: een uitgebreide survey bij kinderen van 6 tot 12 jaar in de lagere school en bij jongeren van 12 tot 18 jaar in de middelbare school. 

KINDEREN, tussen 6 en 12 jaar

Jonger een smartphone

De tablet blijft het populairste toestel bij kinderen, al krijgen ze steeds jonger een smartphone in hun bezit. In 2018 was de 12 jarige leeftijd en de stap naar het middelbaar het schakelpunt, in 2020 krijgen ze die al aan hun 9 jaar. 

Kinderen gebruiken digitale toestellen nog steeds vooral om video’s te kijken en spelletjes te spelen, al luisteren ze nu ook meer naar muziek via zo’n toestel.

YouTube op de tablet, TikTok op de smartphone

Filmpjes kijken, muziek luisteren en spelletjes spelen zijn de favoriete activiteiten van kinderen. YouTube, Spotify en Netflix zijn hun favoriete platformen. Van zodra ze een smartphone krijgen, komen TikTok, Snapchat en Whatsapp in beeld. 

Kinderen kiezen voor elk communicatiedoel een ander kanaal. Praten met vrienden gebeurt via Whatsapp, ouders krijgen nog een telefoontje.

Liegen over leeftijd

Op veel sociale media geldt eigenlijk een leeftijdsgrens van 13 jaar. Toch gebruiken gebruikt 44% TikTok, 27% Snapchat en 22% Instagram. Ouders hebben daar weinig problemen mee, maar houden wel graag een oogje in het zeil.

Praten over cyberpesten

13% van de kinderen had ooit last van cyberpesten. 28% praat daar met niemand over en als ze het wel doen dan is dat voor 39% van de kinderen met de ouders en voor 33% met klasgenoten.

Opvoeden in tijden van digitalisering

Bij 82% van de kinderen zijn er thuis regels over het mediagebruik. Bij 58% zijn er afspraken over schermtijd, bij 45% over wanneer ze media mogen gebruiken. Naarmate kinderen ouder worden, krijgen ze minder regels opgelegd.

Volwassenen die een oogje in het zeil houden zonder daar afspraken over te maken, breken het vertrouwen met hun kind. Een eigen plekje, zowel online als offline, is belangrijk. 

JONGEREN, tussen 12 en 18 jaar

Jonger een smartphone

De smartphone blijft alomtegenwoordig: 94% van de jongeren heeft er een. Ze krijgen bovendien alsmaar jonger hun eerste eigen smartphone. In 2018 was dat aan 12 jaar en de stap naar het middelbaar het schakelpunt, in 2020 krijgen ze die al aan hun 9 jaar. 

Die smartphone geven ze op jongere leeftijd ook een sociaal nut. Jongeren zijn nu voor hun twaalfde al vertrouwd met Whatsapp, Instagram en Snapchat.

YouTube en Instagram meest gebruikt

89% van de jongeren gebruikt YouTube minstens wekelijks, bij Instagram is dat 86%. Daarmee zijn dat populairste platformen. TikTok is voor de meesten geen wekelijkse kost: 28% van de jongeren gebruikt het wekelijks.

Facebook zinkt dieper de vergeetput in. Slechts 39% van de jongeren gebruikt Facebook nog wekelijks. 

Versnipperde communicatie

Hoewel de populairste sociale media ideaal zijn om met elkaar te communiceren, vertellen jongeren niet alles via gelijk welke app. De meeste jongeren sms’en met hun ouders, spreken via Snapchat of Instagram met vrienden af en gebruiken Whatsapp om over schooltaken te overleggen.

Sociale media als nieuwsbron

Sociale media zijn de voornaamste nieuwsbron. 54% van de jongeren lezen dagelijks nieuws via sociale media. De interesse komt bovendien met de jaren: bij jongeren uit de derde graad is de nieuwsconsumptie het grootst. 

Vooral Facebook blijkt in deze context relevant. Pagina’s en groepen zijn ideaal om te weten wat er in de wereld gebeurt en om zelf een statement te maken.

Cyberpesten minder zichtbaar

17% van de jongeren is het afgelopen jaar online lastig gevallen, slecht behandeld of kwam in aanraking met een schokkende gebeurtenis. 21% van de meisjes was ooit slachtoffer, tegenover 13% bij de jongens. 

Omstaanders spelen een grote rol bij cyberpesten. Anno 2020 was 25% van de jongeren getuige, tegenover 54% in 2018. Cyberpesten blijkt zich nu vooral in privégesprekken plaats te vinden.

Privacyvaardig, thuis en op school

61% van de Vlaamse jongeren zegt zelden les te krijgen over online privacy. Daarbovenop ergeren ze zich aan de veronderstelling dat ze onverstandig zouden omspringen met hun privacy. Ook schatten jongeren waar thuis afspraken over mediagebruik gemaakt worden, hun privacyvaardigheden hoger in.

Waardering voor het lerarenberoep in Vlaanderen: negatieve evolutie

Vandaag in Het Nieuwsblad: Amper kwart leraren voelt zich gewaardeerd.

Eerst het goede nieuws: de overgrote meerderheid van de leraren is ‘al bij al tevreden’ over zijn werk. Het salaris is dik oké, er zit voldoende variatie in het takenpakket en leerkrachten ervaren een hoge mate van zelfstandigheid. Eén zaak bedreigt dat positieve plaatje: leerkrachten voelen zich ferm ondergewaardeerd in de samenleving.

Dit is op basis van het TALIS onderzoek waarvan in maart het tweede deel uitkwam. Dit is de samenvattende onderzoek van het algemene rapport:

Maar als je specifiek over Vlaanderen wil lezen kan je:

De Corona kinder- en jongerenenquête samengevat voor kinderen en jongeren -> deel deze video met hen #jongerenovercorona

Kreeg deze vraag van de kinderrechtencommissaris “Willen jullie filmpje posten, delen, verspreiden onder kinderen en jongeren met een hele grote dankjewel erbij?” Lees meer over het onderzoek hier.