Het volledige Millennial-rapport van Deloitte

Vandaag staat in De Morgen een samenvatting van de Deloitte Millennial Survey en de toon is pessimistisch (en de Belgische millennials zijn bij de meest cynische). Ik volg Tom Palmaerts dat het wel eens een behoorlijk reality check is door de leeftijdsfase en ik vrees dat het optimisme bij veel mensen al een tijdje onder druk staat, los van leeftijd. Spijtig genoeg geeft het rapport niet echt weer hoe het met persoonlijk optimisme staat (met mij komt het goed ipv de wereld is om zeep).

Het hele rapport kan je hier downloaden, maar de video en infografiek vatten verder samen:

NRO-persbericht en onderzoek: Scholing van leraren die nieuwkomers lesgeven: hoe doen andere landen dat?

Een interessant persbericht over dito onderzoek (waarbij wij dan meer over Zweden bijleren, Vlaanderen kennen we al):

In Nederland zijn scholen en leraren niet goed voorbereid op het geven van onderwijs aan nieuwkomers, zo blijkt uit onder andere een advies van de Onderwijsraad. Daarom is in een studie van de Hogeschool Utrecht gekeken hoe Vlaanderen en Zweden het onderwijs aan deze kinderen organiseren. Vooral is onderzocht hoe zij de professionalisering van leraren hebben gerealiseerd. En of we daar in Nederland inspiratie uit kunnen halen.

“In Vlaanderen en Zweden worden nieuwkomers zo snel mogelijk in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs opgevangen”, vertelt onderzoeker Maaike Hajer. Dat kan natuurlijk alleen als daar de voorwaarden voor aanwezig zijn. Tweede-taalleraren maken deel uit van het lerarenteam en geven leerlingen zo veel mogelijk in de klas tweede-taalonderwijs en niet in aparte groepen. In Zweden krijgen de kinderen een brede meertalige intake (dus ook in hun eigen taal) om te kijken wat zij zelf al aan kennis en vaardigheden meebrengen. Die intake is wettelijk verplicht. Om op die kennis voort te kunnen bouwen wordt begeleiding in de eigen taal ingezet. In de klas helpen klassenassistenten de nieuwkomers daarom in hun eigen taal met bepaalde vakken.  In Vlaanderen bevorderen  vervolgschoolcoaches dat leerlingen in de reguliere lessen.

Inclusief onderwijs

Het onderwijs aan meertaligen is in Zweden zo veel mogelijk inclusief en ook Vlaanderen werkt in die richting. “Meertalige kinderen worden niet gezien als een aparte groep die tijdelijk aandacht nodig heeft, maar als een ‘gewoon fenomeen’ in de klas”, zegt Hajer. “Dit betekent dat alle leraren meertaligen ondersteuning moeten kunnen bieden.” Daarnaast is een bevoegdheid verplicht om Zweeds als tweede taal te geven.

Professionaliteit van leraren

De Vlaamse en vooral Zweedse visie op nieuwkomersonderwijs vraagt nogal wat van de professionaliteit van de leraren. In Zweden is er een structureel landelijk beleid voor nieuwkomers met daaraan gekoppelde professionalisering. De initiële opleiding Zweeds als tweede taal levert sinds twee decennia bevoegde professionals af. Nascholing van hen en van overige leraren wordt verzorgd door onder andere het landelijk expertisecentrum Zweeds als Tweede Taal, de lerarenopleidingen, de gemeentelijke onderwijsbegeleidingsdiensten en commerciële aanbieders.

Voor de lerarenopleidingen in Vlaanderen zijn eindtermen geformuleerd rond diversiteit en meertaligheid. Universitaire expertisecentra verzorgen voor een belangrijk deel de nascholing. In beide landen is er een duidelijke verbinding tussen professionalisering en actueel wetenschappelijk onderzoek.

Inspiratie voor Nederland

Hajer: “In Nederland geeft de overheid geen gemeenschappelijke visie op onderwijs aan nieuwkomers en daarmee ook geen kader waar professionalisering zich op zou moeten richten. Als de overheid die rol niet op zich neemt, is het misschien aan andere sleutelspelers om een gezamenlijke visie en referentiekader voor bekwaamheden van leraren te formuleren. Sleutelspelers zijn onder andere de praktijk, lerarenopleidingen, onderwijsadviesdiensten, besturen en schoolleiders, en onderzoekers.

Diversiteit blijft

“Wat ik daarin heel belangrijk vind is dat er een verbinding komt tussen wetenschap, beleid, opleidingen en het onderwijsveld. In Zweden is er bijvoorbeeld omvangrijk nascholingsmateriaal ontwikkeld waaraan verschillende experts hebben bijgedragen. Dit is gratis beschikbaar voor iedereen die nascholing verzorgt en voor scholen die er zelf mee willen werken. Zoiets zou je hier ook kunnen doen om op die manier snel kennisuitwisseling op gang te brengen.

“We hebben een structurele visie nodig. Diversiteit blijft, dus er blijven leraren nodig  die specifieke ondersteuning kunnen bieden. En we moeten verder kijken hoe leraren met diversiteit in hun klas kunnen leren omgaan.”

Hajer, M, Kootstra, G.J. & Popta, M. van. Ruimte en Richting in professionalisering voor onderwijs aan nieuwkomers. Een verkenning van opleiding en scholing voor leraren in basis- en voortgezet onderwijs in Vlaanderen en Zweden. Hogeschool Utrecht, juni 2018.

De overzichtsstudie ‘Onderwijs aan vluchtelingen – internationale impulsen ter versterking van opzet en inhoud van de professionalisering van leraren‘ werd door het NRO gefinancierd.

Waar selecteer je in onderwijs? Over toegang tot hoger onderwijs.

Vandaag staat er in De Standaard een warm pleidooi van professor Yves T’Sjoen voor een niet-bindende toegangsproef voor wie taal- en letterkunde wil studeren. Zijn verwijzing naar studenten die nauwelijks foutloze zinnen kunnen schrijven en toch aan een taalrichting willen beginnen, maakt zijn pleidooi meer dan begrijpelijk. In dit stuk wil ik wat achtergrond geven bij een relevante, ietwat onderhuidse vraag: waar selecteer je.

Als we het over selectie hebben in onderwijsdiscussies, denken we hier vaak aan een brede eerste graad. Maar die selectie maken we later in de opleiding van onze kinderen voor een stuk ongedaan. In Vlaanderen hebben we namelijk een vrij uniek systeem waarbij bijna iedereen naar gelijk welke richting in het hoger onderwijs kan gaan. We hebben wel toelatingsexamens voor arts en tandarts en binnenkort kan je niet meer na elk zevende jaar in het beroepsonderwijs richting universiteit, maar in feite gebeurt de selectie niet in het middelbaar onderwijs.

Vergelijk dat met bijvoorbeeld Zuid-Korea waar er op het einde van het secundair onderwijs centrale eindexamens zijn die bepalen of je al dan niet naar de universiteit mag. Ben je bij de beste van de allerbeste, dan maak je kans op een plaatsje in een van de drie topuniversiteiten en is je broodje gebakken. Je zal makkelijk door je universitaire studies komen en je bent binnen voor de rest van je leven. Die eindexamens zijn dus vaak echt allesbepalend waardoor de druk immens kan zijn.

Het is een zeer extreme vorm van selecteren in het middelbaar onderwijs die we in de meeste landen in meer of mindere mate tegenkomen. Het kan zo ook zijn dat je voor bepaalde vakken examen moet afgelegd hebben om aan bepaalde richtingen te studeren.

Beide systemen hebben voor- en nadelen die vaak elkaars spiegelbeeld zijn. Het grote voordeel van ons systeem is dat je aan iedereen kansen geeft en een keuze uitstelt. Het grote nadeel aan ons systeem is dat het aantal niet-geslaagden in een eerste jaar hoger onderwijs vaak zeer groot is en dat dit gepaard gaat met heel veel werkdruk voor docenten, administraties, enz. Ooit hoorde ik het omschrijven als een samenkomen van een Romaans en Angelsaksisch model. Het Romaanse zit hem in de grote toegang, het Angelsaksische zit hem in de drang naar excellentie. De cocktail samen kan moordend zijn.

Een nadeel van centrale eindexamens kan de enorme bijlesindustrie zijn die in de meeste Aziatische landen bestaat, terwijl Vlaanderen volgens de meest recente OESO-data zowat de kleinste bijlesindustrie heeft.

Mocht je van mij nu een aanbeveling in een of andere richting verwachten, moet ik je teleurstellen. Ik beken: ik ben relatief blij met ons systeem, maar voel wel hoe het al meer dan een tijdje kraakt in al zijn voegen. En de mensen die het andere model voorstaan, hebben zeer goede argumenten. Elk voordeel heeft zijn nadeel zei de grote Nederlands filosoof Cruyff. Maar het is wel belangrijk dat we beseffen wat de gevolgen van onze keuzes zijn.

Woord van de dag: Wizard of OZ-technique (of hoe mensen artificiële intelligentie vervangen)

Dit weekend leerde ik een nieuw concept kennen via dit artikel, namelijk de Wizard of OZ-technique.

De naam is meer dan perfect gekozen. Nee, dit gaat niet over hoe robots de jobs van mensen zullen vervangen, maar hoe vandaag mensen het werk van robots doen.

Wat blijkt namelijk? Dat dit een handleiding is die zelfs door Facebook al gebruikt is:

Je wil dus investeerders van AI overtuigen, maar dan moet je ook al de technologie klaar hebben waarvoor je net dat geld nodig hebt. Dus laten we mensen maar robotje spelen…

Maar zoals in The Guardian aangegeven wordt is hier nog meer mis mee dan je zou denken. Naast de leugen-om-geldwil, de geestesdodende taken die de mensen moeten uitvoeren (“The job was so mind-numbing that human employees said they were looking forward to being replaced by bots.”), maar mensen vertrouwen chatbots meer info toe, of beter als ze denken dat ze met een chatbot babbelen of chatten…

Lectuur op zaterdag: Tokyo is dying, mediawijsheid hot or not, onderwijsfilantropie en meer

De weekendbijlage bij deze blog:

Kantoortuinen zorgen voor net minder menselijk contact

De laatste tijd krijgen kantoortuinen het erg te verduren. We zouden er minder geconcentreerd zijn en we zouden ze gewoon niet fijn vinden. Maar het is natuurlijk goed voor menselijke interactie?

Wel, terwijl dit vaak het argument is, blijkt dit niet per se het geval. Nieuw onderzoek toont dat men net eerder gaat mailen en berichtjes gaat sturen dan met elkaar babbelen. Bij de 52 proefpersonen die gevolgd werden, daalde net de menselijke interactie met ongeveer 70%.

Nu, een steekproef van 52 is niet echt groot, maar het is een belangrijke nieuw element in een ontwikkelend verhaal.

Abstract van het onderzoek:

Organizations’ pursuit of increased workplace collaboration has led managers to transform traditional office spaces into ‘open’, transparency-enhancing architectures with fewer walls, doors and other spatial boundaries, yet there is scant direct empirical research on how human interaction patterns change as a result of these architectural changes. In two intervention-based field studies of corporate headquarters transitioning to more open office spaces, we empirically examined—using digital data from advanced wearable devices and from electronic communication servers—the effect of open office architectures on employees’ face-to-face, email and instant messaging (IM) interaction patterns. Contrary to common belief, the volume of face-to-face interaction decreased significantly (approx. 70%) in both cases, with an associated increase in electronic interaction. In short, rather than prompting increasingly vibrant face-to-face collaboration, open architecture appeared to trigger a natural human response to socially withdraw from officemates and interact instead over email and IM. This is the first study to empirically measure both face-to-face and electronic interaction before and after the adoption of open office architecture. The results inform our understanding of the impact on human behaviour of workspaces that trend towards fewer spatial boundaries.