Waar selecteer je in onderwijs? Over toegang tot hoger onderwijs.

Vandaag staat er in De Standaard een warm pleidooi van professor Yves T’Sjoen voor een niet-bindende toegangsproef voor wie taal- en letterkunde wil studeren. Zijn verwijzing naar studenten die nauwelijks foutloze zinnen kunnen schrijven en toch aan een taalrichting willen beginnen, maakt zijn pleidooi meer dan begrijpelijk. In dit stuk wil ik wat achtergrond geven bij een relevante, ietwat onderhuidse vraag: waar selecteer je.

Als we het over selectie hebben in onderwijsdiscussies, denken we hier vaak aan een brede eerste graad. Maar die selectie maken we later in de opleiding van onze kinderen voor een stuk ongedaan. In Vlaanderen hebben we namelijk een vrij uniek systeem waarbij bijna iedereen naar gelijk welke richting in het hoger onderwijs kan gaan. We hebben wel toelatingsexamens voor arts en tandarts en binnenkort kan je niet meer na elk zevende jaar in het beroepsonderwijs richting universiteit, maar in feite gebeurt de selectie niet in het middelbaar onderwijs.

Vergelijk dat met bijvoorbeeld Zuid-Korea waar er op het einde van het secundair onderwijs centrale eindexamens zijn die bepalen of je al dan niet naar de universiteit mag. Ben je bij de beste van de allerbeste, dan maak je kans op een plaatsje in een van de drie topuniversiteiten en is je broodje gebakken. Je zal makkelijk door je universitaire studies komen en je bent binnen voor de rest van je leven. Die eindexamens zijn dus vaak echt allesbepalend waardoor de druk immens kan zijn.

Het is een zeer extreme vorm van selecteren in het middelbaar onderwijs die we in de meeste landen in meer of mindere mate tegenkomen. Het kan zo ook zijn dat je voor bepaalde vakken examen moet afgelegd hebben om aan bepaalde richtingen te studeren.

Beide systemen hebben voor- en nadelen die vaak elkaars spiegelbeeld zijn. Het grote voordeel van ons systeem is dat je aan iedereen kansen geeft en een keuze uitstelt. Het grote nadeel aan ons systeem is dat het aantal niet-geslaagden in een eerste jaar hoger onderwijs vaak zeer groot is en dat dit gepaard gaat met heel veel werkdruk voor docenten, administraties, enz. Ooit hoorde ik het omschrijven als een samenkomen van een Romaans en Angelsaksisch model. Het Romaanse zit hem in de grote toegang, het Angelsaksische zit hem in de drang naar excellentie. De cocktail samen kan moordend zijn.

Een nadeel van centrale eindexamens kan de enorme bijlesindustrie zijn die in de meeste Aziatische landen bestaat, terwijl Vlaanderen volgens de meest recente OESO-data zowat de kleinste bijlesindustrie heeft.

Mocht je van mij nu een aanbeveling in een of andere richting verwachten, moet ik je teleurstellen. Ik beken: ik ben relatief blij met ons systeem, maar voel wel hoe het al meer dan een tijdje kraakt in al zijn voegen. En de mensen die het andere model voorstaan, hebben zeer goede argumenten. Elk voordeel heeft zijn nadeel zei de grote Nederlands filosoof Cruyff. Maar het is wel belangrijk dat we beseffen wat de gevolgen van onze keuzes zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.