Je zou kunnen denken dat op het platteland automatisch leidt tot een sterkere band met de natuur dan leven in de stad. Een recente studie van onderzoekers aan de Lund Universiteit in Zweden nuanceert dit idee. Ze toonden aan dat het de sociaaleconomische achtergrond van een kind is die de band met de natuur bepaalt, en niet of ze in de stad of op het platteland wonen. Toch laat de studie ook zien dat toegang tot natuur in de directe omgeving mogelijks het welzijn van kinderen kan verhogen.
De onderzoekers wilden de relatie van kinderen tot de natuur bestuderen, zowel in stedelijke als landelijke gebieden, en in hoeverre deze relatie varieert met de sociaaleconomische status. Daarnaast werd onderzocht of het voeren van vogels kon dienen als een manier om kinderen in contact te brengen met wilde dieren, hun kennis over en gevoel voor de natuur te versterken, en zo hun welzijn te verbeteren.
Uit het onderzoek bleek verrassend genoeg dat de band van kinderen met de natuur niet afhankelijk is van hun woonomgeving, maar van hun sociaaleconomische achtergrond. Dr. Johan Kjellberg Jensen, die het onderzoek leidde, legt uit: “Kinderen in gebieden met een hoger opleidingsniveau hebben over het algemeen een betere soortkennis, wat weer samenhangt met een positievere houding ten opzichte van wilde dieren. Hogere inkomens van gezinnen zijn gekoppeld aan meer deelname aan natuurgerichte activiteiten, wat ook leidt tot een betere verbinding met de natuur. Dit was het geval, ongeacht of de kinderen in het stadscentrum of op het platteland woonden.”
Hoewel de woonplaats van kinderen niet bepalend is voor hun houding ten opzichte van de natuur, werden er wel enkele verschillen waargenomen. Kinderen gebruiken natuurlijke omgevingen op verschillende manieren, afhankelijk van waar ze wonen, maar dit beïnvloedt hun algemene houding ten opzichte van de natuur niet. Wat wel opviel, is dat kinderen die direct toegang hebben tot natuur in hun buurt, een hoger welzijn ervaren. Een belangrijke beperking van het onderzoek is wel dat deze graad van welzijn zelfrapportage is.
Het vogelvoerproject dat de onderzoekers hebben uitgevoerd, had als doel de soortkennis van kinderen te vergroten en hun welzijn te verbeteren. Hoewel de soortkennis inderdaad toenam, werden er geen significante effecten op het welzijn of de houding ten opzichte van de natuur waargenomen. Wat echter opviel, was de grote variatie in resultaten tussen verschillende scholen, wat de belangrijke rol van leerkrachten en scholen in dergelijke projecten benadrukt. Dr. Jensen wijst er ook op dat de verantwoordelijkheid om kinderen een positieve band met de natuur bij te brengen, niet uitsluitend bij leraren hoeft te liggen.
Een andere belangrijke bevinding was dat kinderen met weinig toegang tot natuur in hun directe omgeving het meest profiteerden van het vogelvoerproject. Dit onderstreept het belang van groen en rechtvaardig woning- en stadsbeleid. Als we willen dat toekomstige generaties een positieve relatie met de natuur ontwikkelen, en genieten van de gezondheidsvoordelen die daarbij horen, zijn gerichte projecten nodig om het contact van kinderen met de natuur te vergroten. Dit geldt zowel voor stedelijke als landelijke omgevingen, vooral in gebieden met een lage sociaaleconomische status en weinig natuur in de buurt.
Abstract van het onderzoek:
- Children’s interactions with nature are important mediators of health benefits and future relationships with nature and conservation. However, there are growing concerns that children are becoming disconnected from nature as societal changes make natural environments and their affordances less accessible. There is now a need to explore ways to reconnect children to nature.
- We evaluated bird feeding as an environmental education intervention on species knowledge, attitudes towards birds and well-being of children (aged 10–11 years) in 14 urban and rural schools across three city regions. We used surveys to investigate the role of urbanisation and socio-economic factors in children’s relationships with nature and possible modulating effects on the intervention response.
- Local nature, close to the children’s homes, was associated with better well-being and modulated the effect of the intervention on species knowledge: children from areas with less local nature gained more from the project. Urbanisation per se had no direct impacts but did correlate with the types of affordances associated with nature by the children, suggesting differences in how urban and rural children utilise nature.
- We found that socio-economic factors impacted pre-existing species knowledge and attitudes towards nature. Higher education was associated with better species knowledge. Higher income correlated with children participating in more outdoor activities, which subsequently correlated with more positive attitudes towards birds. Species knowledge also correlated with positive attitudes. We found large differences in the intervention impact between schools, likely explained by a pivotal role of teachers facilitating nature interactions in school-based projects.
- Our findings show that bird feeding has potential as an intervention to connect children with nature, but ecological and social contexts moderate its efficacy. Local greenspace and socio-economics influenced children’s relationships with nature in both urban and rural areas, indicating that local conditions rather than urbanisation levels govern connection to nature. Role models appeared crucial, suggesting that specialised environmental education organisations have significant potential to enhance nature connection through interventions, particularly in areas with low socio-economic levels and sparse nature.