Het “One Laptop per Child”-programma (OLPC) werd ooit gelanceerd met een ambitieus doel: elk kind in lage-inkomenslanden een eigen laptop geven, zodat technologie en onderwijs hand in hand zouden gaan. Uruguay was het eerste land ter wereld dat dit plan volledig omarmde. Vanaf 2009 kregen op sommige scholen in het basisonderwijs een gratis laptop van de overheid, met als idee dat dit de toegang tot kennis en digitale vaardigheden zou vergroten, dit terwijl op andere scholen als controlegroep er in eerste instantie nauwelijks laptops waren, al er gaandeweg op sommige scholen wel toestellen geïntroduceerd om gedeeld te gebruiken.
In de eerste jaren toonde onderzoek aan dat het programma inderdaad leidde tot meer toegang tot en gebruik van computers, maar zonder duidelijke verbetering in schoolresultaten op korte termijn. Nu, ruim tien jaar later, hebben onderzoekers opnieuw naar de effecten gekeken – deze keer op de lange termijn.
De conclusie blijft opvallend consistent: geen meetbare impact op cognitieve vaardigheden, schooldeelname of inkomens op latere leeftijd. Zelfs op het vlak van digitale vaardigheden zijn er geen grote sprongen te zien. Wel blijkt dat jongeren die destijds meededen nog steeds vaker computers gebruiken dan hun leeftijdsgenoten.
Dat beeld is belangrijk, ook al is het niet spectaculair. Het laat zien dat technologie in het onderwijs niet automatisch tot betere leerprestaties leidt. En dat structurele toegang tot laptops wel gedrag kan beïnvloeden – mensen blijven computers gebruiken – maar niet per se tot betere uitkomsten op school of op de arbeidsmarkt leidt.
Wat dit soort onderzoek vooral benadrukt, is het belang van kijken naar hoe technologie wordt ingezet. Een laptop uitdelen is één ding, maar wat je ermee doet en hoe het ingebed is in het onderwijs, maakt waarschijnlijk het verschil.