Werkt sociaal-emotioneel leren echt? Nieuwe meta-analyse over prosociaal gedrag nuanceert het debat

Sociaal-emotioneel leren, of SEL zoals het vaak wordt afgekort, blijft één van die thema’s waar de discussies opvallend snel alle richtingen uitgaan. Voor sommigen is het bijna de oplossing voor alles wat fout loopt in onderwijs: van pestgedrag tot leerachterstanden en van welbevinden tot burgerschap. Voor anderen is het net een containerbegrip geworden waar scholen te veel tijd aan verliezen ten koste van “echte kennis”.

Een nieuwe meta-analyse in Review of Educational Research probeert alvast één stuk van die discussie concreter te maken: zorgen SEL-programma’s er effectief voor dat leerlingen prosocialer gedrag vertonen? Dus concreet: meer helpen, samenwerken, ondersteunen, delen of rekening houden met anderen?

De onderzoekers onder leiding van Yu Hung bekeken 66 studies met samen meer dan 52.000 leerlingen uit basis- en secundair onderwijs. Hun algemene conclusie is behoorlijk duidelijk: gemiddeld hebben SEL-programma’s een positief effect op prosociaal gedrag. De berekende gemiddelde effectgrootte kwam uit op ongeveer g = .24.

Nu klinkt .24 misschien niet indrukwekkend als je gewoon naar het getal kijkt. Maar in echt onderwijsonderzoek, in echte scholen, met complexe menselijke interacties, is dit zeker niet weinig. De auteurs verwijzen zelf naar onderzoekers die stellen dat effecten rond .25 voor schoolbrede interventies al behoorlijk betekenisvol kunnen zijn. Zeker wanneer het gaat over gedrag dat zich dagelijks herhaalt in sociale contexten.

Tegelijk is dit opnieuw zo’n studie waar vooral de nuance interessant wordt. Want de spreiding tussen de studies bleek groot. Sommige programma’s hadden nauwelijks effect, andere vrij stevige effecten. De geschatte ware effecten lagen ergens tussen ongeveer -.06 en +.53. Dat betekent dus ook: SEL werkt niet automatisch. Sommige aanpakken lijken veel beter te werken dan andere.

Een van de opvallendste bevindingen van de meta-analyse is dat “meer” niet noodzakelijk beter bleek. Programma’s met minder dan negen uur expliciete SEL-instructie hadden verbazend genoeg gemiddeld grotere effecten dan programma’s met meer uren. Ook programma’s die langer dan één schooljaar liepen, deden het gemiddeld minder goed dan programma’s van ongeveer een half tot één schooljaar.

Dat voelt ergens contra-intuïtief. Veel onderwijslogica vertrekt impliciet vanuit het idee dat meer tijd automatisch meer effect zou moeten opleveren. Maar misschien speelt hier iets anders mee. Implementatiemoeheid bijvoorbeeld. Of het feit dat langdurige programma’s moeilijker consequent kwaliteitsvol vol te houden zijn. Of simpelweg dat leraren in overvolle curricula grenzen ervaren aan hoeveel aparte SEL-lessen haalbaar blijven. Dat betekent natuurlijk niet dat kort en oppervlakkig altijd beter is. Maar het suggereert wel dat kwaliteit, focus en integratie waarschijnlijk belangrijker zijn dan simpelweg extra uren toevoegen.

Opvallend was ook wat verder géén groot verschil maakte. Effecten verschilden niet significant tussen lagere school en secundair onderwijs. Ook stedelijke versus landelijke contexten maakten weinig verschil. Net zoals wie het programma gaf, leraren, onderzoekers of andere begeleiders, leverden gemiddeld vergelijkbare resultaten op. Dit wijkt ook af van andere onderwijsthema’s.

Maar ook daar moeten we voorzichtig blijven. Sommige categorieën bevatten gewoon weinig studies. Er waren bijvoorbeeld opvallend weinig onderzoeken in het secundair onderwijs en nauwelijks studies met puur interactionele aanpakken waarbij vooral de dagelijkse interacties van leraren centraal stonden in plaats van aparte lessen.

Veel SEL-programma’s blijven sterk curriculumgericht: aparte lessen, aparte modules, aparte oefeningen. Terwijl je tegelijk kan argumenteren dat prosociaal gedrag vooral ontstaat in dagelijkse cultuur, routines en relaties. In hoe leraren reageren op conflicten. Hoe klasgesprekken verlopen. Hoe samenwerking georganiseerd wordt. En hoe volwassenen zelf omgaan met respect, empathie en grenzen. Misschien is dat ook waarom sommige relatief beperkte interventies toch effecten tonen: omdat ze erin slagen iets te veranderen in dagelijkse interacties eerder dan enkel extra lesinhoud toe te voegen.

Methodologisch oogt deze meta-analyse trouwens behoorlijk degelijk. De onderzoekers gebruikten robuuste statistische technieken, onderzochten publicatiebias en waren opvallend voorzichtig in hun interpretaties. Dat alleen al maakt het een verademing in een domein waar soms wel heel grote claims circuleren.

Mijn indruk na het lezen? Deze studie ondersteunt zeker het idee dat scholen prosociaal gedrag kunnen beïnvloeden. Maar tegelijk ondergraaft ze impliciet ook het simplistische idee dat SEL gewoon een extra vakje is dat je “meer” moet geven om betere mensen te krijgen.

Geef een reactie