Stel je voor: je krijgt op LinkedIn een vriendelijk bericht van een medestudent. Zijn naam is Charles Chen. Hij vraagt of je Mandarijn spreekt, of je misschien interesse hebt in een conferentie in Beijing. Hij wil zelfs je vliegticket betalen – en stuurt trots een screenshot van zijn bankrekening mee. Maar dan begint het te wringen. Charles weet dingen over jou die je nooit gedeeld hebt. Hij vraagt om over te schakelen op Chinese WeChat. En plots, als hij je smeekt om screenshots van jullie gesprekken te verwijderen, besef je: dit is niet zomaar een rare fan. Dit is iets anders.
Het overkwam Anna (niet haar echte naam), een studente aan Stanford die onderzoek doet naar China. En Charles? Die bleek geen student, geen vriend, zelfs geen echt persoon. Volgens experts was hij een agent van het Chinese Ministerie van Staatsveiligheid (MSS), met als opdracht: contact leggen, vertrouwen winnen, en informatie verzamelen. Niet met een gestolen USB-stick of verborgen camera, maar via een WhatsAppbericht. Geen James Bond, wel een profiel met een profielfoto en een halve glimlach.
Het verhaal van Anna is geen uitzondering. In een onderzoek van de Stanford Review, gebaseerd op meer dan een dozijn interviews, komt een onthutsend beeld naar voren: de Chinese Communistische Partij (CCP) is actief aan het spioneren op de campus van Stanford. Niet via traditionele inlichtingendiensten, maar via ‘non-traditional collection’ – een aanpak waarbij studenten, wetenschappers en zelfs schijnbaar gewone burgers ingezet worden om informatie door te geven. Over wie met wie samenwerkt. Welke software in ontwikkeling is. Welke onderzoeksvragen gesteld worden. Hoe AI-laboratoria georganiseerd zijn.
Het is subtiel en systematisch. Studenten met een beurs van de Chinese Scholarship Council moeten regelmatig rapporteren aan consulaten. Er wordt gebruikgemaakt van ‘carrots and sticks’: wie meewerkt krijgt beloningen, wie weigert riskeert druk op familieleden in China. Sommige studenten werken mee uit overtuiging, anderen omdat ze geen keuze hebben. Want volgens de Chinese inlichtingenwet moet elke burger, overal ter wereld, meewerken aan staatsveiligheid als dat gevraagd wordt.
Dat leidt tot ongemakkelijke vragen. Wat doe je als universiteit als je weet dat studenten op jouw campus informatie doorspelen aan een buitenlandse mogendheid? Wat doe je als onderzoeksgroepen bewust geviseerd worden omdat ze werken aan ‘frontier technologies’ zoals AI en robotica? En wat als een open debat hierover bijna onmogelijk blijkt, omdat elke waarschuwing meteen wordt weggezet als racisme of xenofobie?
In 2022 werd de Amerikaanse China Initiative – een programma tegen economische spionage – stopgezet, onder druk van kritiek over etnisch profileren. En dat risico is reëel: etniciteit mag nooit een reden zijn voor verdenking. Maar tegelijk kan dat niet betekenen dat je de signalen mag negeren. Zwijgen als studenten als Anna gemanipuleerd worden. Of als wetenschappers op eieren lopen omdat een verkeerde opmerking over Taiwan hen of hun collega’s in gevaar kan brengen.
Het zwijgen is precies wat dit soort praktijken mogelijk maakt. En het is dat zwijgen dat het stuk van de Stanford Review wil doorbreken waar ik dit verhaal oppikte. Door te spreken met insiders, door verhalen te verzamelen, door tegen de stroom in te gaan. Niet om Chinese studenten te verdenken, maar om te erkennen dat ook zij vaak slachtoffer zijn van een systeem dat hen gebruikt.
In een wereld waar wie de technologie beheerst, ook de macht heeft, wordt spionage niet meer gepleegd met microfoons in balpennen, maar met subtiele druk, sociale media en internationale beurzen. Dat maakt het niet minder ernstig – wel moeilijker om aan te pakken.
Misschien is de meest prangende vraag wel deze: hoe verdedig je een open kennisomgeving in een geopolitiek landschap dat steeds minder open is? Hoe bescherm je wetenschappelijke samenwerking tegen ongewenste inmenging, zonder paranoia of profilering? En hoe doorbreek je de stilte zonder meteen in een polemiek terecht te komen?
Het begint, zoals vaak, bij het benoemen. Bij luisteren naar wie wil spreken. En bij erkennen dat sommige dingen te belangrijk zijn om te negeren.
Pingback: Over China – Arnold's Asgard