Het lijkt misschien een eeuwigheid geleden, en misschien wil je de pandemie liever vergeten, maar de UK Covid-19 Inquiry publiceerde net een rapport dat ik echt wil delen: 600 gesprekken met kinderen en jongeren over hoe zij de pandemie beleefd hebben. Geen statistieken, geen grafieken, maar hun eigen stemmen en verhalen. En dat maakt het net daarom soms bijzonder confronterend.
Wat ik vooral opvallend vond: bijna niemand vertelt een puur positief of negatief verhaal. In het begin voelde bijvoorbeeld de lockdown soms zelfs als een bevrijding – geen school, meer tijd. Maar dat sloeg snel om naar frustratie, eenzaamheid en angst.
Er waren duidelijke factoren die het veel moeilijker maakten: spanningen thuis, opeens de zorg voor een ouder of broer/zus moeten dragen, te weinig laptops of wifi, de angst om een kwetsbare grootouder te besmetten, of het verlies van iemand die dicht bij je stond. En dan was er nog het wegvallen van school en hulpverleners – net voor wie dat vangnet het hardst nodig had.
Maar jongeren vertelden ook over wat hen overeind hield: steun van vrienden of familie (soms enkel via een scherm), kleine routines die houvast boden, een nieuwe hobby ontdekken die zelfs richting gaf voor de toekomst, of gewoon het geluk dat ze konden blijven leren.
Wat me bijblijft, is hoe vaak ze zeggen dat ze zich “vergeten” voelden toen de rest van de samenleving weer openging. Hun zorgen en verantwoordelijkheden stopten niet, maar de aandacht wel.
En dat is misschien de scherpste les: als er opnieuw een crisis komt – en die komt – moeten we niet enkel denken aan economie of ziekenhuizen, maar ook vragen: hoe beleven kinderen dit, en wat hebben zij nodig om overeind te blijven?