Deze week had ik een gesprek met Carl Hendrick, die me wees op een gloednieuwe meta-analyse van Jennifer Cromley en Runzhi Chen (2025). Ze namen de verschillende principes van Richard Mayer rond multimedia learning onder de loep. Voor wie Mayer niet meteen iets zegt: hij is al sinds de jaren ’70 een van de invloedrijkste onderwijsonderzoekers, bekend van de Cognitive Theory of Multimedia Learning en talloze ontwerpprincipes voor goed lesmateriaal.
Wat ik boeiend vind aan deze meta-analyse: ze gaat niet alleen op zoek naar de gemiddelde effecten, maar vooral naar de grenzen van die effecten. Of in Mayer’s woorden: onder welke omstandigheden werken zijn principes wel en niet? En daar zitten heel praktische lessen in voor de klas en voor ontwerpers van leermiddelen.
Een paar inzichten die ik eruit haal:
-
Niet alle principes zijn gelijk geschapen. Grote effecten werden gevonden voor het vermijden van overbodige details (de coherence principle), de modality principle (stem in plaats van tekst bij animaties), personalisatie (materiaal in een meer menselijke toon), en natuurlijk het combineren van tekst en beelden. Dat zijn dus principes die bijna altijd de moeite zijn.
-
Zelf uitleggen helpt. Het laten verwoorden van een verklaring door leerlingen – self-explanation – heeft een duidelijk positief effect. Voor wie denkt aan formatieve evaluatie of activerende werkvormen: dit is een stevige onderbouwing.
-
Games en simulaties doen het beter dan VR. Terwijl virtual reality vaak als de grote belofte wordt gepresenteerd, toont dit overzicht dat de effecten klein en niet significant zijn. Simulaties en educatieve spellen leveren wél middelgrote effecten op. Dat is een reality check voor wie denkt dat ‘meer immersie’ automatisch meer leren betekent.
-
Hogere-orde leren profiteert het meest. Multimedia helpt niet alleen bij het onthouden van feiten, maar nog sterker bij inferenties en transfer. Dat is goed nieuws, want net daar zitten vaak onze doelen.
-
Context telt. Effecten bleken groter in STEM en medische domeinen dan in geestes- en sociale wetenschappen, en ook de regio maakt uit: studies uit Azië lieten gemiddeld sterkere effecten zien dan die uit Noord-Amerika of Europa.
En misschien wel de belangrijkste boodschap: het effect van goede multimediale ontwerpen is robuust, maar niet onbeperkt. Niet elk principe werkt altijd, niet elk medium is even krachtig, en de effecten zijn de voorbije decennia lichtjes gedaald – waarschijnlijk omdat multimedia intussen minder ‘nieuw’ is voor leerlingen.
Voor de praktijk betekent dit: als je multimediale materialen maakt of kiest, zet vooral in op coherentie, modality, tekst + beeld, en laat leerlingen actief uitleg geven. Maar wees kritisch voor hypes zoals VR die meer beloven dan ze vooralsnog op dit moment kunnen waarmaken.
Dank dus aan Carl voor de tip. Dit is zo’n meta-analyse die je eraan herinnert dat evidence-informed werken soms ook betekent: keuzes maken, prioriteiten stellen, en niet alles geloven wat glanst of flikkert.