Wie in onderwijs werkt, kent het gevoel wellicht wel: je struikelt over de onderzoeksresultaten, samenvattingen en prima toolkits zoals bijvoorbeeld van Leerpunt, maar tegelijk vraag je misschien toch nog je af wat je er in de praktijk mee kan. Te vaak blijven zulke inzichten hangen in studiedagen of in een PowerPoint die nooit meer wordt geopend. Het boek How to Use Research Evidence Well in Education, dat ik via Dirk van Damme vond, wil dat patroon doorbreken. Ik heb het boek gisteravond – relatief snel, ik beken – doorgenomen en wil mijn eerste blik alvast meegeven.
Wat dit boek relevant maakt, is dat het niet gaat over de vraag óf we onderzoek moeten gebruiken (het antwoord daarop is intussen duidelijk), maar over hoe je dat verstandig en vooral haalbaar doet. Het gaat dus niet over blind implementeren van “evidence-based” hypes, maar over doordacht zoeken, kritisch vertalen en samen duurzaam uitproberen.
Voor de leraar: klein beginnen, maar met impact
De auteurs moedigen leerkrachten aan om niet in één keer hun hele lespraktijk om te gooien, maar om te vertrekken vanuit een concrete vraag of uitdaging. Denk aan een klas waar motivatie laag is, of waar je merkt dat je aanpak rond begrijpend lezen blijft steken. Het boek laat zien hoe je gericht onderzoek kan opzoeken en vervolgens toetsen of dat in jouw context werkt.
Een voorbeeld dat me trof: een schoolteam dat merkte dat hun traditionele summatieve beoordelingsmodel niet langer aansloot bij de leerlingen. Onderzoek naar formatieve evaluatie en feedbackstrategieën hielp hen een alternatief te ontwikkelen dat meer nadruk legde op groei in plaats van eindcijfers. Door samen data te analyseren en gesprekken met leerlingen en leraren te voeren, konden ze stapsgewijs een nieuw model opbouwen. Het resultaat: meer betrokkenheid van leerlingen en een sterker gevoel van eigenaarschap over hun leren.
Dit illustreert meteen de kern van het boek: onderzoek is geen kant-en-klare oplossing, maar een bron die je kritisch moet vertalen naar je eigen praktijk. Het gaat erom dat je als leraar of team kleine, haalbare stappen zet en tegelijk monitort wat het oplevert voor jouw leerlingen.
Dat is ook meteen een belangrijk punt: het boek pleit ervoor dat leerkrachten hun eigen professionaliteit niet loslaten, maar net versterken door onderzoek te combineren met eigen ervaring en met de kennis van collega’s. Onderzoek wordt zo geen “vreemde stem van buiten”, maar een extra lens waardoor je scherper naar je praktijk kan kijken.
Voor schoolteams: tijd, structuur en cultuur
Waar het voor individuele leerkrachten vaak gaat over haalbaarheid, ligt de uitdaging voor schoolteams bij structuur en cultuur. Onderzoek gebruiken vraagt tijd, en die is er zelden zomaar. Het boek geeft inspirerende voorbeelden van scholen die dit creatief hebben opgelost. Zo maakte een Australische basisschool wekelijks 80 minuten vrij door enkele vakken extern te laten organiseren. Je kan hier tegen of voor zijn, voor alle duidelijkheid, maar die tijd ging niet op aan losse vergaderingen, maar werd doelgericht ingezet om samen onderzoek te verkennen, te vertalen naar lessen en terug te koppelen naar resultaten.
Wat me aanspreekt, is dat de auteurs tegelijk eerlijk zijn: zonder structuur en leiderschap verwatert dit soort initiatieven snel. Onderzoek gebruiken werkt niet als vrijblijvend leesvoer, maar vraagt dat je het koppelt aan een duidelijk doel in je school, dat je prioriteiten stelt (en soms dus ook stopt met andere projecten), en dat je afspraken maakt over hoe je samen evalueert.
Cultuur is minstens even belangrijk. In de sterkste voorbeelden in het boek zie je schoolleiders die niet gewoon “opleggen dat er onderzoek gebruikt moet worden”, maar die zelf het goede voorbeeld geven: door nieuwsgierig te blijven, successen zichtbaar te maken, en fouten bespreekbaar. Kleine dingen, zoals een teamvergadering openen met een kort onderzoeksartikel of samen de vraag stellen “hoe werkt dit bij ónze leerlingen?”, blijken verrassend krachtig.
Een interessant voorbeeld dat in het boek terugkomt, is het gebruik van Universal Design for Learning (UDL). Dat klinkt mooi: lessen ontwerpen zodat zoveel mogelijk leerlingen van meet af aan toegang hebben. UDL is evidence-informed in de brede zin – het bouwt op inzichten uit leerpsychologie en toegankelijkheidsonderzoek – maar de harde empirische basis is minder stevig. Veel studies zijn kleinschalig, met positieve signalen rond motivatie en participatie, maar zonder grote RCT’s die onomstotelijk effecten aantonen. Bovendien wordt UDL in de praktijk vaak zo breed toegepast dat het eerder een kader dan een concreet bewezen aanpak is. Precies daarom is het een goed voorbeeld van hoe scholen evidence-informed werken: gebruik een raamwerk als inspiratie, maar toets kritisch aan je eigen data en context, en wees alert voor vrijblijvendheid.
De kracht van kleine stappen en gedeelde taal
Waar ik me in herken in dit boek, is dat het afrekent met de illusie dat er één gouden recept bestaat. Onderzoek gebruiken is geen eenmalig project, maar een proces van kleine stappen, telkens opnieuw. Het gaat om gericht kiezen, proberen, evalueren, bijsturen. Het boek noemt dat niet voor niets een ontwikkelpraktijk: je bouwt langzaam maar zeker capaciteit op in je team.
Handig daarbij zijn de checklists, reflectievragen en concrete voorbeelden die het boek overal aanreikt. Ze helpen je om onderzoeksgebruik zichtbaar te maken in je school: wie doet wat, wanneer, met welk doel? Daardoor ontstaat een gedeelde taal. En dat is misschien wel de grootste winst: niet dat iedereen hetzelfde leest, maar dat je samen leert praten over onderzoek, en over wat het betekent voor jouw leerlingen.
How to Use Research Evidence Well in Education is geen zoveelste theoretische bundel. Het is een praktisch werkboek dat je als leraar of schoolteam écht kan gebruiken. Je hoeft het niet lineair te lezen; je kan starten bij het hoofdstuk dat het best aansluit bij jouw huidige vraag. Het combineert stevige onderzoeksbasis met realistische praktijkvoorbeelden, en toont eerlijk zowel de kansen als de valkuilen.
Toch is het goed om ook kritisch te blijven. Het boek focust sterk op het proces van onderzoek gebruiken, maar gaat minder in op de vraag hoe je de kwaliteit van onderzoek zelf kan beoordelen. Bovendien zijn de voorbeelden grotendeels Australisch en soms minder direct toepasbaar in onze context. Het risico bestaat ook dat teams de vele checklists oppervlakkig afvinken zonder diepere reflectie. En omdat de auteurs bewust geen onderscheid maken tussen sterk en zwak bewijs, blijft het gevaar bestaan dat alle bronnen gelijkwaardig lijken. Met andere woorden: dit boek is een uitstekend startpunt om evidence-informed werken concreet te maken, maar niet het eindpunt. Het vraagt nog altijd om kritische lezing, moedige gesprekken en een vertaalslag naar de context binneneen elke school.