Gratis schoolmaaltijden als middel voor economische groei?

Gratis gezonde schoolmaaltijden zijn internationaal in opmars. In onder andere Brazilië, Zweden en Schotland bestaan er al langer programma’s die niet alleen armoede en gezondheidsproblemen aanpakken, maar ook een structurele plaats kregen in het onderwijs. Indonesië kondigde zelfs aan dat het tegen 2029 meer dan 78 miljoen kinderen dagelijks wil bereiken. Opvallend: dat programma wordt niet enkel voorgesteld als sociaal beleid, maar ook als onderdeel van de economische groeistrategie van het land.

Precies dat punt staat centraal in een recent rapport van Mariana Mazzucato en Sarah Doyle (2025), geschreven in opdracht van het World Food Programme. Zij stellen dat schoolmaaltijden niet enkel bekeken mogen worden als een kost, maar als een instrument van industriële strategie. Hun argument: via publieke aanbestedingen kan de overheid markten creëren voor lokale landbouw, duurzame productie stimuleren en werkgelegenheid genereren in logistiek en catering. Daarnaast wijzen ze op gezondheidswinsten die zich op lange termijn vertalen in hogere arbeidsproductiviteit en lagere zorgkosten. Sommige studies suggereren zelfs een multiplicatoreffect: elke euro die een overheid investeert, levert een veelvoud aan maatschappelijke en economische waarde op.

Er is tegelijk ook kritiek mogelijk op dit soort benaderingen. Veel van de economische baten die worden genoemd, zijn gebaseerd op extrapolaties of modelberekeningen. De causale link tussen schoolmaaltijden en nationale economische groei is nog niet sluitend bewezen en hangt sterk af van de context. Bovendien klinkt het idee van een mission-oriented industrial strategy overtuigend op papier, maar in de praktijk botsen zulke plannen vaak op politieke verdeeldheid, budgettaire beperkingen of de logica van aanbestedingen die vooral grote spelers bevoordeelt. Het rapport biedt dus vooral een vernieuwend beleidskader, minder een empirische evaluatie.

Het is dus belangrijk om bijvoorbeeld onderscheid in context te maken. In landen als Indonesië kan de schaal zo groot zijn dat de economische effecten ook in de nationale groeicijfers zichtbaar worden. In Westerse landen, zoals Zweden en Schotland, zijn de effecten subtieler en meer verspreid: een stabiele markt voor lokale producenten, structurele gezondheidswinsten, en minder ongelijkheid in kansen op school. Dat levert minder spectaculaire groeicijfers op, maar wel robuuste en duurzame baten die zich over generaties uitstrekken.

Het beeld uit onderzoek over leren is ook behoorlijk genuanceerd. Er is consistente evidentie dat schoolmaaltijden bijdragen aan gezondheid, aanwezigheid en concentratie, maar de effecten op leerprestaties blijken wisselvalliger: sommige studies tonen duidelijke winst, andere nauwelijks. Wat wél overeind blijft, is dat ze wellicht de randvoorwaarden versterken die leren mogelijk maken.

In Vlaanderen komt het idee moeilijk van de grond, en de voorbije dagen hoorde ik ook pleidooien voor vele andere cruciale prioriteiten. Toch deel ik dit rapport omdat het interessant is om te zien hoe hetzelfde instrument zo verschillend kan worden ingekleurd: van een armoedemaatregel, over een structureel welzijnsbeleid, tot dus zelfs ook een economische strategie.

Geef een reactie