Als ik mezelf voorstel op lezingen, maak ik vaak dezelfde grap. Ik vertel dat ik leerkracht Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde was, en dat ik daarna pedagoog ben geworden. Vervolgens voeg ik er zacht mompelend aan toe: mensen vinden me meestal sympathieker als ze horen dat ik eerst een ‘echt vak’ gestudeerd heb. Om daarna, met evenveel overtuiging, te zeggen dat ik er trots op ben dat ik pedagoog ben.
Ik speel in die voorstelling met het beeld dat van de pedagoog leeft. Een beeld dat pijn doet, zoals Jan Masschelein en Maarten Simons onlangs betoogden in Knack. Pedagogen worden vaak gezien als de schuldigen van veel kwaad in het onderwijs. Zij zouden er verantwoordelijk voor zijn dat kinderen niet meer kunnen lezen of schrijven, en dat we allemaal halfzachte dingen doen in de klas.
Het probleem is dat “pedagoog” vaak als een pars pro toto gebruikt wordt: iedereen die zich met onderwijs bemoeit, wordt zo genoemd. Dus ook onderwijskundigen, cognitief psychologen, economen of, erger nog, goeroes. In werkelijkheid komen relatief weinig echte pedagogen aan het woord in de media. Daarmee bedoel ik mensen die daadwerkelijk pedagogiek gestudeerd hebben. Ik ben er een van, net als bijvoorbeeld Dirk Van Damme en Bruno Vanobbergen. Oh, en Theo Francken, Koen Daniëls en Annemie Struyf ook. Deze laatste wist ik trouwens zelf niet voor ik het net opzocht.
Wat is een pedagoog eigenlijk?
Eerlijk: dat verschilt van taal tot taal. Wat wij in Vlaanderen en Nederland een pedagoog noemen, bestaat in de Angelsaksische wereld nauwelijks. De KU Leuven legt het in een video mooi uit: pedagogiek is ruimer dan onderwijskunde.
Een pedagoog vertrekt vanuit de mens of vaak specifiek het kind. Hij of zij onderzoekt hoe opvoeding, relaties en waarden bijdragen aan de ontwikkeling van een persoon, binnen en buiten de school. Een onderwijskundige vertrekt vaak eerder vanuit het leren: hoe we onderwijs kunnen ontwerpen, organiseren en verbeteren zodat leren effectief en motiverend verloopt. Pedagogen denken dus historisch bekeken breder over mensvorming en opvoeding, onderwijskundigen meer over leren en instructie. In de praktijk ontmoeten ze elkaar in de klas, waar ontwikkeling en leren samenkomen.
Ik heb zelf al eens te horen gekregen dat ik mezelf geen pedagoog mocht noemen, omdat ik ook naar onderwijskundige en cognitief-psychologische inzichten verwijs. Maar dat lijkt me onzin. Een pedagoog die geen weet heeft van hoe mensen leren, zou pas wereldvreemd zijn. Tegelijk gaat pedagogiek ook over waarden, relaties en maatschappelijke contexten. Zo denkt die bijvoorbeeld na over het al dan niet impliciete waardekader in bijvoorbeeld de nieuwe minimumdoelen.
Twee soms vergeten kamers
De pedagogiek is een huis met veel bijzondere kamers. Zelf ben ik verkikkerd op twee takken die stilaan achterkamertjes dreigen te worden: de vergelijkende pedagogiek en de historische pedagogiek.
De vergelijkende pedagogiek onderzoekt hoe opvoeding en onderwijs in verschillende landen of culturen vorm krijgen, en wat we daarvan kunnen leren. Ze kijkt naar systemen, waarden en praktijken in hun maatschappelijke context. Ze doen dit niet om gewoon te kopiëren, maar om te begrijpen waarom we het hier doen zoals we het doen. Dat is dus veel meer dan gewoon naar PISA, TIMSS of PIRLS kijken.
De historische pedagogiek richt haar blik naar het verleden. Ze bestudeert hoe opvoedingsideeën en onderwijspraktijken door de tijd heen evolueerden, welke waarden en machtsverhoudingen daarin meespeelden, en wat dat ons vandaag nog te zeggen heeft. Beide takken helpen ons afstand nemen van de waan van de dag door te vergelijken in ruimte én in tijd. Nu snap je misschien beter de verdiepende blik die ik vaak bovenhaal.
Waarom pedagogen soms lastig zijn
Een deel van het imagoprobleem van pedagogen komt wellicht voort uit hun rol in de lerarenopleiding. Vroeger golden ze er soms als oppermachtige figuren tijdens stages en visievorming. Mensen voor wie studenten zenuwachtig werden. Een ander deel komt mogelijk doordat sommige pedagogen inderdaad wat wereldvreemd kunnen overkomen.
Ik herinner me een pedagogische studiedag waarop ik de enige was die enthousiast werd van een diep filosofisch traktaat van een bezoekende pedagoog. En laten we eerlijk zijn: sommige boeken van pedagogen zijn behoorlijk onleesbaar.
Maar misschien is lastig doen net wat pedagogen moeten doen: kritische vragen stellen, ook als ze oncomfortabel zijn.
Na een lezing vertelde iemand me vorige week dat hij net een taak over mij had moeten maken. Hij had van zijn opleiding een lijst met pedagogen gekregen en had mij gekozen omdat ik, in tegenstelling tot de meesten op die lijst, nog leefde. En, zo zei hij, omdat hij mijn kritische houding wel kon smaken. Hij noemde me een exponent van de kritische pedagogiek. En ik weet nog altijd niet zeker of ik het daarmee eens ben.
Over kritische pedagogiek
De kritische pedagogiek is een stroming die opvoeding en onderwijs niet alleen ziet als een manier om kennis over te dragen, maar ook als een vorm van maatschappelijke vorming en emancipatie. Onderwijs is nooit neutraal: elke les, elk curriculum en elke regel draagt waarden in zich en weerspiegelt machtsverhoudingen in de samenleving.
Bekende namen zijn Paulo Freire (met Pedagogy of the Oppressed) en later ook Henry Giroux en Peter McLaren en ik weet niet of ik in dit rijtje thuishoor als bbp (beetje bekende pedagoog). Zij benadrukken namelijk dat leraren en leerlingen samen kritisch moeten leren denken over de wereld — over ongelijkheid, rechtvaardigheid, vrijheid en verantwoordelijkheid. In die zin is kritische pedagogiek niet zomaar “tegen” bestaande systemen, maar onderzoekend en emanciperend: ze vraagt wie er aan het woord komt in onderwijs, wie niet, en hoe leren kan bijdragen aan een meer rechtvaardige samenleving.
Of wacht, heb ik dat in dit stuk niet net gedaan?