We denken allemaal wel eens dat we beter zijn dan we werkelijk zijn, een zeer populaire denkfout. Maar wat als je voortdurend, publiek en precies te horen krijgt hoe goed je echt bent? Zou je dan niet leren om realistischer naar jezelf te kijken? Dat vroegen Patrick Heck, Daniel Benjamin, Daniel Simons en Christopher Chabris zich ook af tot ze hun nieuwe onderzoek deden onder bijna 3400 competitieschakers uit 22 landen.
Schaken is zowat de ideale omgeving om overmoed te laten verdwijnen. Elke speler heeft een objectieve Elo-rating die exact berekent hoe sterk je bent, gebaseerd op honderden partijen, tegenstanders, en resultaten. Die cijfers zijn openbaar, worden maandelijks geüpdatet en zijn voor elke schaker dagelijkse kost. Als er één groep mensen zou moeten weten waar ze écht staan, dan zijn het wel zij.
Maar dat bleek dus niet zo te zijn. Gemiddeld schatten de spelers zichzelf 89 Elo-punten te hoog in – het verschil tussen een gelijkspel en een comfortabele overwinning. Slechts één op tien van die overmoedige spelers haalde het niveau dat ze van zichzelf verwachtten, zelfs na een jaar vol nieuwe partijen. En ja, ook hier gold de Dunning-Kruger-wet: hoe lager je stond op de ladder, hoe groter je zelfvertrouwen. De sterkste spelers, tot grootmeesters toe, waren juist het meest realistisch.
Wat dit onderzoek bijzonder maakt, is dat de gebruikelijke excuses niet meer opgaan. Dit is geen kwestie van slechte feedback of vage criteria, maar van mensen die jarenlang exact weten hoe ze presteren en die desondanks blijven denken dat ze beter zijn dan de cijfers tonen.
De auteurs zien dat als een teken dat overmoed diep menselijk is. Zelfs in een domein dat doordrenkt is van feiten, cijfers en competitie, blijven we liever geloven dat de wereld ons onderschat. Misschien is dat niet eens zo slecht. Een beetje zelfbedrog kan motiveren. Maar wie beslissingen neemt — of dat nu in een klas, een raadkamer of een schaaktoernooi is — doet er goed aan om te onthouden dat zelfvertrouwen zelden hetzelfde is als gelijk hebben.