20 jaar bestaat nu al het Apestaartjarenonderzoek! De tweejaarlijkse studie is ondertussen uitgegroeid tot zowat dé referentie over mediagebruik van jongeren in Vlaanderen. De belangrijkste bevindingen komen in de media vandaag ongetwijfeld aan bod, maar ik wil even kijken wat relevant is specifiek voor het onderwijs. Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen van het smartphoneverbod en AI?
Ten eerste bevestigt het rapport dat school een belangrijke rol blijft spelen in de digitale leefwereld van kinderen en jongeren. Dat zie je bijvoorbeeld in het gebruik van computers en smartphones. De auteurs koppelen de recente daling van computer- en smartphonegebruik bij jongeren expliciet aan twee onderwijsmaatregelen: de verschuiving weg van het idee dat elke leerling permanent met een laptop werkt, en het smartphoneverbod op school. Dat betekent niet noodzakelijk dat jongeren plots “minder digitaal” leven, maar wel dat schoolbeleid zichtbaar invloed heeft op hun gedrag!
Tegelijk toont het rapport dat digitale ongelijkheid ook binnen onderwijs zichtbaar blijft. Jongeren met meer materiële en sociale deprivatie hebben minder toegang tot kwalitatieve toestellen, minder vaak een data-abonnement en vaker problemen met internetkwaliteit thuis. Dat is relevant voor onderwijs omdat digitale opdrachten of blended learning impliciet veronderstellen dat leerlingen thuis degelijk online kunnen werken. De smartphone is daarbij geen volwaardig alternatief: het rapport benadrukt expliciet dat een smartphone minder geschikt is voor schoolwerk door het kleine scherm en het ontbreken van toetsenbord of muis.
Een derde opvallend punt gaat over hoe media-activiteiten verschuiven met de leeftijd. Bij jongere kinderen overheersen entertainment en games, maar bij jongeren verschuift het mediagebruik sterk richting communicatie, informatie zoeken en sociale media. Dat heeft implicaties voor onderwijs: mediawijsheid gaat in het secundair veel minder over “schermtijd” alleen en veel meer over informatievaardigheden, communicatie, online identiteit en sociale interacties.
Ook interessant: online huiswerk maken lijkt minder prominent aanwezig dan in de vorige editie. De onderzoekers wijzen erop dat dit mogelijk ook samenhangt met recente beleidskeuzes om digitale toestellen minder centraal te zetten in onderwijs. Dat suggereert dat scholen momenteel wat terugbewegen van het zeer sterke digitaliseringsdiscours van enkele jaren geleden.
Daarnaast toont het rapport impliciet iets belangrijks over ontwikkelingsfasen. De onderzoekers spreken zelfs van een soort “digitale puberteit”: vanaf ongeveer de derde graad lager onderwijs verandert het mediagebruik sterk. Dat is pedagogisch relevant, omdat het erop wijst dat mediaopvoeding en digitale afspraken waarschijnlijk leeftijdsspecifieker moeten worden aangepakt. Wat werkt in het vierde leerjaar werkt niet noodzakelijk nog in het tweede secundair.
Een ander sterk onderwijsrelevant element is dat jongeren sociale media vooral passief gebruiken: veel kijken, veel scrollen, relatief weinig zelf posten. Dat nuanceert klassieke ideeën over “de actieve digitale generatie”. Het rapport toont eigenlijk een generatie die vaak consumeert eerder dan creëert.
En dan moet ik het nog hebben over AI. De discussie over AI in onderwijs gaat vaak uit van het idee dat jongeren vandaag al permanent met ChatGPT leven. Alsof huiswerk massaal door AI geschreven wordt, alsof iedereen voortdurend prompts gebruikt en alsof scholen hopeloos achterlopen. Het nieuwe Apenstaartjarenrapport geeft daar eigenlijk een veel genuanceerder beeld van. Wat blijkt? Ja, AI is aanwezig. Maar tegelijk ook: niet op de manier waarop sommige doemscenario’s of marketingverhalen het voorstellen.
De onderzoekers schrijven zelf letterlijk: “AI verovert de jongeren! Of niet helemaal?” Alleen al die nuance is verfrissend. We zitten namelijk in een vreemde fase. Enerzijds wordt AI overal besproken. In media. In onderwijs. Ook in bedrijven. En ik beken, ook in lezingen. Soms lijkt het alsof jongeren automatisch AI-experts zijn geworden omdat ze jong zijn. De mythe van de Digital Native werd de AI-native. Anderzijds tonen onderzoeken steeds vaker dat gebruik veel ongelijker, praktischer en oppervlakkiger is dan volwassenen vermoeden.
Dat zie je eigenlijk ook hier terug. AI blijkt voor veel jongeren geen revolutionair nieuw ecosysteem, maar eerder een extra hulpmiddel tussen vele andere digitale tools. Sommigen gebruiken het regelmatig. Sommigen amper. En sommigen experimenteren ermee voor schoolwerk, anderen vooral uit nieuwsgierigheid of entertainment. Dat alleen al is belangrijk, omdat het botst met het beeld van een uniforme “AI-generatie”. Tegelijk lijkt AI stilaan ook een nieuwe vorm van zoekmachine te worden, met alle gevolgen vandien.
Onderwijs kan daar iets uit leren. De eerste fout die we volgens mij moeten vermijden, is denken dat AI-gebruik vanzelf leidt tot AI-geletterdheid. Dat jongeren een tool gebruiken betekent nog niet dat ze begrijpen hoe die werkt, waar de beperkingen zitten of hoe betrouwbaar antwoorden zijn. Dat zagen we vroeger trouwens ook al bij internet, sociale media of zoekmachines. Veel gebruik betekent niet automatisch veel inzicht.
Tenslotte is het rapport ook interessant omdat het expliciet vanuit een kinderrechtenkader werkt. De auteurs koppelen digitalisering aan participatie, informatie, privacy en gelijke kansen. Dat sluit sterk aan bij actuele discussies in onderwijs over niet alleen beschermen tegen risico’s, maar ook leren omgaan met digitale kansen.
Kort samengevat leert het rapport over onderwijs dat:
- schoolbeleid effectief gedrag kan beïnvloeden,
- digitale ongelijkheid nog steeds groot is,
- smartphones geen volwaardige vervanging zijn voor degelijk digitaal leren,
- mediawijsheid veel breder is dan schermtijd,
- ontwikkelingsfasen cruciaal zijn,
- AI bestaat, maar is minder uniform aanwezig dan vaak wordt aangenomen
- en dat digitalisering in onderwijs waarschijnlijk steeds meer een kwestie wordt van doordachte pedagogische keuzes in plaats van “meer technologie = beter”.