Haatspraak is al langer dan vandaag ook een onderwijsprobleem geworden. Niet alleen online, maar ook op school krijgen leerlingen ermee te maken. Ze horen racistische opmerkingen, seksistische memes, homofobe grappen of vernederende commentaren over religie, afkomst of gender. Dat laatste bleek ook nog deze week met het onderzoek van de VRT. En hoewel scholen vaak de plek zijn waar zulke spanningen zichtbaar worden, zijn ze tegelijk ook een van de weinige plaatsen waar je er systematisch iets aan kan doen.
Een nieuwe systematische review van Kansok-Dusche en collega’s bracht 27 schoolprogramma’s rond haatspeech in kaart en onderzocht welke kenmerken kwaliteitsvol en potentieel effectief lijken. Wat interessant is aan deze review, is dat de onderzoekers niet alleen naar wetenschappelijke criteria keken, maar ook expliciet leraren en leerlingen bevroegen over wat volgens hen werkt in de praktijk.
De eerste vaststelling is tegelijk hoopgevend en confronterend: er bestaan ondertussen behoorlijk wat initiatieven, maar de kwaliteit verschilt sterk. Veel programma’s blijken weinig theoretisch onderbouwd en werden amper geëvalueerd. Slechts één programma beschikte over een echte summatieve effectevaluatie. Dat betekent dus dat we vaak wel goede bedoelingen zien, maar minder vaak degelijke evidentie voor de effectiviteit.
Toch zijn er duidelijke patronen zichtbaar in wat sterke programma’s gemeen hebben.
Een eerste element is dat effectieve aanpakken meer doen dan enkel “zeggen dat haatspraak fout is”. Programma’s die beter scoorden combineren preventie én interventie. Ze proberen niet alleen attitudes te beïnvloeden, maar leren leerlingen ook concreet hoe ze kunnen reageren wanneer ze haatspraak zien of meemaken. Bijvoorbeeld via counterspeech, kritisch leren omgaan met online communicatie of oefenen in reageren als omstaander.
Daarnaast blijken programma’s sterker wanneer ze niet enkel op het individu focussen. Veel kwaliteitsvolle initiatieven gebruiken een multi-level aanpak. Dat betekent dat ze werken op verschillende niveaus tegelijk: individuele vaardigheden, klasdynamiek, schoolcultuur en soms zelfs online gemeenschappen. Dat is logisch. Haatspraak ontstaat zelden alleen door “slechte individuen”. Context, groepsdruk, normen en online dynamieken spelen mee.
Opvallend is ook het belang van zogenaamde actieve werkvormen (de didactische discussie laat ik voor een andere keer). Deze review toont dat sterke programma’s vaak interactieve methodes gebruiken: rollenspelen, casussen, discussies, creatieve opdrachten en reflectieoefeningen. Dat sluit aan bij bredere kennis uit onderwijs en preventiewetenschappen. Leerlingen leren sociale vaardigheden niet alleen door erover te luisteren, maar door ermee aan de slag te gaan.
Nog een belangrijk punt: relatievorming. Zowel onderzoekers als schoolteams benadrukken dat programma’s aandacht moeten besteden aan positieve relaties tussen leerlingen onderling én tussen leerlingen en volwassenen. Dat klinkt misschien minder spectaculair dan technologische oplossingen of strenge sancties, maar het is waarschijnlijk cruciaal. In scholen waar leerlingen zich verbonden voelen en waar leraren duidelijke normen uitdragen, is de kans kleiner dat haatspeech genormaliseerd raakt.
Interessant is dat leerlingen en leraren ook zaken benadrukken die in wetenschappelijke modellen soms minder zichtbaar zijn. Zo wilden leerlingen expliciete vrijwilligheid: niemand mag gedwongen worden persoonlijke ervaringen te delen. Leraren vroegen dan weer flexibiliteit zodat ze onderdelen konden aanpassen aan hun klascontext. Dat creëert meteen een interessante spanning. Vanuit onderzoek weet je dat te veel flexibiliteit programma’s kan verzwakken, omdat consistente implementatie vaak belangrijk is. Maar scholen zijn natuurlijk geen laboratoria.
Wat de review ook duidelijk maakt, is dat veel programma’s zich nog vooral richten op bewustmaking. Dat is begrijpelijk, maar waarschijnlijk onvoldoende. Weten wat haatspraak is, betekent nog niet automatisch dat jongeren anders reageren wanneer ze ermee geconfronteerd worden in een groepschat of op de speelplaats.
Dat betekent vooral ook niet dat scholen alles alleen moeten oplossen. Maar het onderzoek suggereert wel dat scholen een belangrijke rol kunnen spelen, op voorwaarde dat de aanpak breder is dan een losse workshop of een eenmalige themadag. Net zoals bij andere vormen van preventie lijken duurzaamheid, interactie, relatievorming en duidelijke normen belangrijker dan symbolische acties.
Haatspraak aanpakken op school gaat dus niet alleen over het bestrijden van extremen. Het gaat ook over het bouwen van klas- en schoolculturen waarin vernedering minder normaal wordt, waarin leerlingen leren reageren wanneer grenzen overschreden worden, en waarin online gedrag niet los gezien wordt van samenleven offline.