Vorige week publiceerde UNICEF een onderzoek naar ongelijkheid wereldwijd. Er was aandacht in de media, maar ik heb nu zelf het rapport doorgenomen en wil kijken of we nog meer kunnen leren. Wat vooral opvalt in dit UNICEF Innocenti-rapport is dat Vlaanderen/België op papier behoorlijk goed scoort (mag ook gezegd woden), maar tegelijk enkele klassieke Belgische spanningen bevestigt: relatief goede gemiddelden, maar ook duidelijke sociale verschillen.
Zo staat België bijvoorbeeld erg hoog in de algemene rangschikking van kinderwelzijn. In de tabel haalt België een sterke positie voor fysieke gezondheid (7e) en vaardigheden (5e), al ontbreekt een volledige ranking omdat er geen vergelijkbare data over levenssatisfactie beschikbaar waren. Dat past eigenlijk vrij goed bij wat we al langer zien in internationale vergelijkingen: België en Vlaanderen behoren zelden tot de absolute toppers zoals Nederland of Denemarken, maar zitten meestal wel stevig in de subtop.
Interessanter voor Vlaanderen zijn misschien de patronen achter die gemiddelden. Een eerste belangrijke les is dat economische ongelijkheid veel sterker samenhangt met kinderuitkomsten dan puur nationale rijkdom. Het rapport toont bijvoorbeeld dat landen met grotere inkomensongelijkheid gemiddeld slechter scoren op fysieke gezondheid, overgewicht en leerprestaties. Dit is zelfs wanneer je rekening houdt met hoe rijk een land gemiddeld is. Voor Vlaanderen is dat relevant omdat we vaak focussen op “een rijk onderwijssysteem”, terwijl studies tegelijk tonen dat sociaal-economische verschillen hier sterk doorwerken in prestaties.
Dat sluit rechtstreeks aan bij wat onder andere PISA-data al jaren laten zien voor Vlaanderen: hoge gemiddelde prestaties gaan samen met relatief sterke SES-kloven. Het UNICEF-rapport bevestigt dat dit geen detail is, maar een structureel patroon in veel rijke landen. Kinderen uit de hoogste sociaal-economische groepen zijn gemiddeld bijna dubbel zo vaak basisvaardig in lezen en wiskunde als kinderen uit de laagste groepen (83% tegenover 42%).
Belangrijk daarbij: het rapport nuanceert ook simplistische interpretaties. Het zegt niet dat ongelijkheid automatisch alles veroorzaakt. De auteurs benadrukken expliciet dat ongelijkheid vaak verweven is met bredere maatschappelijke structuren, woonomgeving, schoolcontext en sociale netwerken. Dat is relevant in Vlaamse discussies waar soms gedaan wordt alsof één maatregel alles zou kunnen oplossen.
Voor onderwijs is vooral hoofdstuk 7 interessant. Daar beschrijft UNICEF hoe ongelijkheid via verschillende lagen werkt:
- thuissituatie,
- materiële middelen,
- buurten,
- scholen,
- sociale relaties,
- stress in gezinnen,
- verwachtingen en kansen.
Dat is eigenlijk een belangrijk tegengewicht tegen zowel puur “schooldeterminisme” als puur “maatschappelijk determinisme”. Scholen kunnen verschillen maken, maar moeten dit doen binnen bredere sociale contexten.
Nog iets opvallends voor Vlaanderen/België: het rapport maakt een onderscheid tussen verschillen tussen landen en verschillen binnen landen. Dat is cruciaal. Vlaanderen scoort internationaal vaak nog degelijk gemiddeld, maar de spreiding binnen het systeem blijft groot. Dat zagen we recent ook opnieuw bij IELS en PISA. Er is niet noodzakelijk alleen een probleem van gemiddelde prestaties, maar van grote verschillen tussen leerlingen en scholen.
Ook mentaal welzijn verdient nuance. Het rapport vindt op landniveau geen sterke link tussen economische ongelijkheid en de twee gebruikte indicatoren voor mentaal welzijn (levenssatisfactie en suïcide). Maar binnen landen blijken sociaal-economische verschillen wel degelijk samen te hangen met lagere levenssatisfactie en meer mentale problemen. Dat past opvallend goed bij recente Vlaamse discussies over jongerenwelzijn: gemiddelden vertellen niet het hele verhaal.
Wat ik misschien het meest interessant vind, is dat UNICEF eigenlijk impliciet waarschuwt voor een te enge focus op gemiddelden of rankings. Het rapport zegt meerdere keren dat rijke landen nog steeds grote ongelijkheden kennen ondanks algemene welvaart. Voor Vlaanderen betekent dat dat een debat over onderwijs of welzijn niet alleen moet gaan over “hoe hoog scoren we?”, maar ook over:
- wie profiteert van het systeem,
- wie achterblijft,
- en hoe sterk kansen verdeeld zijn binnen scholen en tussen scholen.