We horen het te pas en te onpas; we moeten langer werken. Dit leidt tot spanningen, stakingen en betogingen. Deze week nog bij de piloten in België. Maar… zitten er ook persoonlijke voordelen aan langer werken? Het is misschien een vraag die sommigen beledigend kunnen vinden, maar het is wel een vraag die Noah Arman Kouchekinia en collega’s concreet probeerden te beantwoorden in een nieuwe NBER-working paper: leidt langer werken tot minder cognitieve aftakeling. Het antwoord is zoals steeds… genuanceerd.
In hun studie vergelijken ze niet simpelweg wie werkt en wie niet, maar kijken ze naar wat er gebeurt wanneer mensen min of meer een “duw” krijgen door veranderingen op de arbeidsmarkt. Dat is een belangrijke nuance. Wie werkt, verschilt vaak systematisch van wie niet werkt. Gezondheid, opleiding, motivatie… het speelt allemaal mee. Als je dat niet meeneemt, weet je eigenlijk niet wat oorzaak is en wat gevolg.
De onderzoekers gebruiken daarom lokale schokken in werkgelegenheid als een soort natuurlijk experiment. Als jobs in een regio verdwijnen of net toenemen, verandert de kans dat mensen werken – los van hun individuele kenmerken. Dat maakt het mogelijk om dichter bij een causaal effect te komen.
Wat ze vinden, is op het eerste gezicht eenvoudig: wanneer werkgelegenheid afneemt, daalt ook de cognitieve score sneller. Anders gezegd: minder werken gaat samen met een snellere cognitieve achteruitgang. Maar zo eenvoudig is het niet. Het effect zit namelijk vooral bij mannen tussen 51 en 64 jaar. Bij vrouwen en bij oudere mannen vinden ze dat nauwelijks terug. Dat alleen al maakt duidelijk dat dit geen algemeen principe is dat voor iedereen op dezelfde manier geldt.
Daarnaast gaat het niet over dramatische verschillen, maar over subtiele verschuivingen in cognitieve scores doorheen de tijd. Dat sluit aan bij wat we uit ander onderzoek kennen: cognitieve achteruitgang begint vaak vroeg en verloopt geleidelijk.
Interessanter is misschien wat dit zegt over waarom werk een rol zou spelen. Het voor de hand liggende antwoord is cognitieve stimulatie. Werken betekent (vaak) problemen oplossen, plannen, communiceren. Dat soort activiteiten wordt vaak gelinkt aan het opbouwen van een “cognitieve reserve”.
Maar dat is waarschijnlijk maar een deel van het verhaal. Werk brengt ook structuur, sociale contacten en een gevoel van doelgerichtheid. Het zou dus evengoed die combinatie kunnen zijn die het verschil maakt.
Wat deze studie toevoegt, is geen definitief antwoord, maar een verschuiving in zekerheid. Het idee dat werken kan helpen om cognitieve achteruitgang te vertragen, wordt iets sterker onderbouwd. Tegelijk blijft het afhankelijk van context, leeftijd en waarschijnlijk ook van het soort werk.
En dat maakt het meteen relevant voor hoe we naar beleid kijken. Discussies over langer werken gaan meestal over pensioenen en betaalbaarheid. Maar er zit mogelijk ook een gezondheidscomponent aan vast.
Alleen: dat betekent niet dat langer werken automatisch beter is. Niet elk werk is cognitief uitdagend. Niet elke loopbaan laat toe om gezond langer door te gaan. En niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden. Misschien is de relevantste vraag dus niet of we langer moeten werken, maar onder welke omstandigheden dat zinvol is.