Met alle aandacht die momenteel onder andere naar AI gaat, mogen we het vorige debat niet vergeten. De relatie tussen sociale media en mentale gezondheid blijft een van die onderwerpen waar de temperatuur van het debat vaak hoger ligt dan de temperatuur van de voorhanden evidentie. Aan de ene kant staan mensen die sociale media beschouwen als de oorzaak van een mentale gezondheidscrisis bij jongeren, met Jonathan Haidt als held. Aan de andere kant staan mensen die elke mogelijke negatieve invloed wegwuiven. Zoals zo vaak ligt de werkelijkheid waarschijnlijk ergens tussen beide uitersten en hebben wetenschappers zoals ik, die graag de nuance opzoeken, het moeilijk om niet in een bepaald kamp geplaatst te worden.
Via de nieuwsbrief van Human Progress kwam ik terecht bij een nieuwe studie van Christopher Ferguson in Current Psychology. Ferguson is al jaren een van de meest uitgesproken critici van wat hij ziet als een morele paniek rond sociale media. Dat betekent niet dat hij ongelijk heeft, maar ik vind het wel relevante context als je zijn conclusies leest.
De studie maakt gebruik van gegevens van meer dan 15.000 Britse adolescenten uit het Brainwaves Project. Eerst keek Ferguson naar eenvoudige verbanden tussen het aantal uren sociale media per dag en allerlei indicatoren van welzijn, zoals depressie, angst, zelfwaardering en levenskwaliteit. Zoals in veel eerdere studies vond hij inderdaad kleine verbanden. Meer sociale media ging samen met iets meer mentale problemen en iets minder welzijn. Correlaties, juist. Dat wil zeggen dat de oorzakelijke richting alle kanten op kan gaan.
Ferguson voegde vervolgens controlevariabelen toe. Denk dan aan zaken zoals emotionele regulatie, veerkracht, schoolverbondenheid en het gevoel erbij te horen. Zodra die factoren in rekening werden gebracht, verdwenen de verbanden tussen sociale media en vrijwel alle mentale gezondheidsuitkomsten.
Met andere woorden: jongeren die het moeilijk hebben, blijken mogelijk vaker veel sociale media te gebruiken. Maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat sociale media de oorzaak zijn van hun problemen. Het kan evengoed zijn dat dezelfde onderliggende factoren beide verklaren.
Dat is op zich geen nieuwe vaststelling. De afgelopen jaren zijn verschillende meta-analyses tot vergelijkbare conclusies gekomen. Wanneer onderzoekers uitsluitend kijken naar eenvoudige correlaties, vinden ze vaak kleine effecten. Wanneer ze rekening houden met relevante achtergrondfactoren, worden die effecten meestal nog kleiner of verdwijnen ze volledig.
Dat brengt ons bij een belangrijk methodologisch punt. Veel publieke discussies vertrekken van correlaties alsof ze oorzaken aantonen. Dat jongeren die meer sociale media gebruiken gemiddeld meer angstklachten rapporteren, betekent niet automatisch dat sociale media die klachten veroorzaken.
Dat is precies waarom onderzoekers proberen rekening te houden met andere verklaringen. Tegelijk moeten we oppassen om nu in de tegenovergestelde val te trappen. Deze studie bewijst niet dat sociale media geen invloed hebben. Ze toont vooral dat het aantal uren sociale media per dag weinig unieke voorspellende waarde heeft wanneer je rekening houdt met andere factoren. Dat is niet hetzelfde als aantonen dat sociale media volledig irrelevant zijn. Ander onderzoek, bijvoorbeeld over gamen, suggereerde eerder al dat context, motivatie en gebruikspatronen vaak belangrijker zijn dan het aantal uren op zich.
Dat onderscheid is belangrijk omdat “uren per dag” ondertussen een behoorlijk grove maat is geworden. Jongeren gebruiken sociale media niet allemaal op dezelfde manier. Actief contact houden met vrienden is iets anders dan eindeloos doomscrollen. Deel uitmaken van een online gemeenschap is iets anders dan voortdurend sociale vergelijking ervaren. Wie enkel uren telt, gooit al die verschillen op één hoop.
Bij de beperkingen is het belangrijk mee te geven dat deze studie cross-sectioneel is. Ze meet alles op hetzelfde moment. Daardoor kunnen we geen harde uitspraken doen over causale processen of langetermijneffecten.
Wat mij vooral opvalt, is dat de resultaten opnieuw wijzen op iets wat vaak onderbelicht blijft in het publieke debat. De sterkste voorspellers van welzijn waren niet sociale media, maar factoren zoals veerkracht, emotionele regulatie, verbondenheid en sociale steun. Dat zijn factoren waarvan we al langer weten dat ze een belangrijke rol spelen in het leven van jongeren.
Wat neem ik vooral mee? Zelfs als sociale media een rol spelen, lijkt het steeds minder waarschijnlijk dat het verhaal kan worden samengevat als: minder schermtijd = betere mentale gezondheid. Iets wat de verschillende onderzoeken over smartphonebans ook op lijken te wijzen. De werkelijkheid blijkt opnieuw complexer dan slogans, bestsellerboeken of politieke voorstellen zoals momenteel in Engeland vaak doen vermoeden.
Overigens blijft ook deze studie observationeel. Ze toont dat de verbanden verdwijnen wanneer controlevariabelen worden toegevoegd, maar kan niet uitsluiten dat sommige van die variabelen zelf deel uitmaken van het causale verhaal.