Mark Elchardus schreef voor de weekendkrant van De Morgen een column over de resultaten van De Foto van Vlaanderen. Niet weer, denk je misschien, maar hij stelt enkele pertinente vragen, waarvan voor mij de belangrijkste is: hoe ver reikt het recht van jongeren op een eigen mening?
Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar dat is ze duidelijk niet als je verder begint te denken. In een liberale democratie hebben mensen het recht om opvattingen te hebben die anderen afkeuren. Ze mogen conservatief, progressief, religieus, atheïstisch of, waarom niet, genuanceerd zijn. Ze mogen homoseksualiteit afkeuren, gendertransities afwijzen of net actief verdedigen. Het is een ongemakkelijke vraag van Elchardus: krijgen jongeren op veel plekken wel vrijheid? De stap daarna, namelijk naast de vrijheid van denken, is de vrijheid van meningsuiting. En die heeft weinig betekenis als ze alleen geldt voor meningen waar de meerderheid zich comfortabel bij voelt.
Tegelijk hebben mensen ook rechten. Homoseksuelen, transgender personen, mensen met een andere herkomst of religie hebben recht op gelijke behandeling en bescherming tegen discriminatie. Dat iemand die rechten afkeurt, maakt ze niet minder geldig. De spanning ontstaat precies tussen die rechten enerzijds en de vrijheid van mensen om daar anders over te denken anderzijds.
Niemand kan verplicht worden bevriend te zijn met een transgenderpersoon, of erger nog, met een pedagoog. Vriendschap is vrijwillig. Dat betekent niet dat vooroordelen geen gevolgen hebben, wel dat persoonlijke relaties zich moeilijk laten regelen via rechten en regels. Mensen hebben vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is een onderdeel van menselijke vrijheid.
Maar zodra die overtuigingen zich vertalen in het ontzeggen van rechten, toegang of kansen, wordt het een andere discussie. Dan gaat het niet langer over wat iemand denkt, maar over wat iemand anderen wil toestaan.
Misschien is dat ook de reden waarom dit soort discussies zo vaak vastlopen. Voor sommigen lijkt elke afwijzing van een minderheid automatisch een bedreiging van haar rechten. Voor anderen lijkt elke kritiek op conservatieve opvattingen automatisch een aanval op de vrijheid van denken.
Het is trouwens een oud idee dat jongeren per definitie progressief zouden zijn. Nee, Churchill heeft nooit gezegd: “If you’re not a liberal when you’re 25, you have no heart. If you’re not a conservative by the time you’re 35, you have no brain.” Maar de veronderstelling dat jongeren vanzelfsprekend progressieve waarden omarmen, duikt geregeld op in het denken over jongerencultuur. Zo lag bij het Centre for Contemporary Cultural Studies in Birmingham sterk de nadruk op jeugdculturen als vormen van verzet tegen de dominante, toen vaak eerder conservatieve, orde. Tegelijk zagen we bijvoorbeeld in de jaren tachtig ook conservatieve jongerensubculturen zoals de yuppies. Jong zijn en progressief zijn, zijn nooit synoniemen geweest.
De werkelijkheid is volgens mij dus een pak ingewikkelder. Een vrije samenleving moet beide tegelijk kunnen verdedigen: het recht van mensen om anders te denken én het recht van anderen om gelijk te worden behandeld.
Dat evenwicht voelt soms ongemakkelijk. Misschien is dat net omdat het een echt liberaal evenwicht is.