Momenteel zijn Paul, Casper en ikzelf de laatste hand aan het leggen aan de update van het eerste mytheboek. Maar afronden is pittig omdat er natuurlijk steeds nieuwe onderzoeken blijven verschijnen. Zo ook deze nieuwe studie die over genderbias bij leerkrachten gaat. De onderzoekers gebruikten data uit de Franse ELFE-cohortstudie en volgden meer dan 7.000 kinderen van de kleuterklas tot het vierde leerjaar. In totaal ging het om meer dan 23.000 observaties. Ze bekeken hoe leerkrachten het niveau van leerlingen inschatten in taal en wiskunde, en vergeleken dat met objectieve prestatietests. Daarnaast namen ze ook externaliserend gedrag van de leerlingen mee, denk dan aan impulsiviteit, druk gedrag, moeite met concentratie, enzovoort.
De resultaten zijn interessant, maar ook minder bruikbaar voor wie sensatie zoekt. In taal schatten leerkrachten meisjes gemiddeld hoger in dan jongens met vergelijkbare prestaties. In wiskunde gebeurt het omgekeerde: jongens worden iets hoger ingeschat dan meisjes die objectief even goed presteren. De onderzoekers spreken daarom van een perceptiebias die bestaande stereotypen lijkt te versterken.
Maar het meest interessante deel van de studie gaat misschien niet eens over gender op zich, maar over gedrag. Leerlingen met meer externaliserend gedrag werden systematisch lager ingeschat, los van hun echte prestaties. Dat klinkt ergens logisch. Een leerling die voortdurend afgeleid is, impulsief reageert of de les verstoort, zal waarschijnlijk ook minder competent overkomen. Alleen: jongens vertonen gemiddeld meer van dat gedrag dan meisjes. Daardoor blijkt een deel van de lagere inschatting van jongens in taal eigenlijk samen te hangen met gedrag eerder dan met gender alleen.
In wiskunde blijft er echter zelfs na controle voor gedrag een bias in het voordeel van jongens bestaan. Dat maakt het patroon complexer dan een simpele “jongens zijn drukker”-verklaring.
Interessant is ook wanneer die verschillen opduiken. In Frankrijk ontstaat het gemiddelde verschil in wiskundeprestaties tussen jongens en meisjes ongeveer vanaf het eerste leerjaar. De perceptiebias van leerkrachten lijkt vanaf dat moment ook sterker te worden. De auteurs suggereren voorzichtig dat leerkrachten bestaande verschillen mogelijk versterken in hun percepties. Tegelijk benadrukken ze zelf dat sommige van die interactie-effecten minder robuust worden in bijkomende analyses.
Dat laatste is belangrijk. De studie is sterk, maar natuurlijk niet perfect. Het gaat om een grote longitudinale dataset, met preregistratie en controle voor socio-economische factoren. Dat maakt de resultaten interessant. Maar het blijft een observationele studie. Bovendien zijn de “objectieve” prestaties niet volledig onafhankelijk van leerkrachten, omdat zij sommige onderdelen van de toetsen zelf afnamen en scoorden. De auteurs erkennen dat natuurlijk expliciet.
Nog belangrijker: dit onderzoek gaat over percepties, niet rechtstreeks over discriminatie of ongelijke behandeling. Dat verschil kan snel verdwijnen in publieke discussies. Een leerkracht kan onbewust bepaalde verwachtingen hebben zonder daarom leerlingen bewust anders te behandelen. De auteurs zijn daar zelf opvallend voorzichtig over. Ze zeggen expliciet dat ze niet weten in welke mate deze percepties later ook echt prestaties, studiekeuzes of cijfers beïnvloeden.
Toch vind ik de studie echt waardevol. Niet omdat ze bewijst dat onderwijs “seksistisch” zou zijn, maar omdat ze iets toont wat eigenlijk heel menselijk is: leerkrachten kijken nooit volledig los van gedrag, verwachtingen en context naar leerlingen. Dat geldt waarschijnlijk niet alleen voor gender. Wie rustig, geconcentreerd en sociaal vaardig overkomt, wordt sneller als competent gezien. Wie drukker of impulsiever is, betaalt daar mogelijk een prijs voor.
Dat is geen reden om leerkrachten met de vinger te wijzen. Integendeel. Het toont vooral hoe moeilijk evalueren eigenlijk is. Zeker in een klas vol kinderen waar gedrag, motivatie, taalvaardigheid en prestaties voortdurend door elkaar lopen.