Schoolaanwezigheid staat opnieuw hoog op de agenda. De cijfers van afwezige leerlingen en studenten stijgen namelijk in verschillende landen. Er wordt vaak naar de coronapandemie gekeken als versneller van deze trend, onder meer door verstoorde routines en veranderende opvattingen over schoolaanwezigheid.
We weten al langer dat veel afwezigheden samenhangen met lagere leerprestaties, minder betrokkenheid bij school en een grotere kans op schooluitval later. De vraag is dus niet alleen waarom leerlingen afwezig zijn, maar ook wat scholen daar realistisch aan kunnen doen. Een nieuwe systematische review van Tarissa Hidajat en collega’s bracht daarvoor 37 studies samen die allemaal één element gemeen hebben: ze onderzochten initiatieven waarbij scholen en gezinnen samenwerkten om de aanwezigheid van leerlingen te verbeteren.
Op het eerste gezicht lijkt de conclusie eenvoudig. In 32 van de 37 studies vond men een verbetering in de aanwezigheden. Maar zoals zo vaak wordt het interessanter wanneer je iets dieper kijkt. De auteurs waren namelijk minder geïnteresseerd in de vraag of één specifieke interventie werkt dan in de vraag hoe samenwerking tussen school en gezin kan bijdragen aan een betere aanwezigheid.
De initiatieven die in de studies voorkwamen waren erg divers. Soms ging het om duidelijke communicatie over aanwezigheid en schoolverwachtingen. Soms kregen ouders ondersteuning om hun kind beter te begeleiden. In andere gevallen werden ouders betrokken bij beslissingen rond ondersteuning of werden externe diensten ingeschakeld. Veel studies combineerden verschillende van deze elementen.
Interessant is dat de auteurs vinden dat het bekende model van ouderbetrokkenheid van Joyce Epstein eigenlijk nog een uitbreiding nodig heeft. Naast communicatie, ondersteuning thuis en samenwerking met de gemeenschap blijken ook drie andere elementen belangrijk:
- het actief opbouwen van relaties tussen school en gezin,
- het versterken van de handelingsbekwaamheid van ouders en
- het expliciet bespreken van de waarde van onderwijs binnen het gezin.
Volgens de auteurs verlopen de effecten via drie mechanismen. Ten eerste krijgen leerlingen meer ondersteuning. Ouders weten beter wat er op school gebeurt en scholen krijgen een beter beeld van de leefwereld van leerlingen. Ten tweede ontstaat er meer afstemming. Ouders en school geven vergelijkbare boodschappen over aanwezigheid en trekken meer aan hetzelfde zeel. Dat sluit mooi aan bij de ecologische benadering van Bronfenbrenner waarop de auteurs zich expliciet baseren. Ten derde krijgen gezinnen vaak toegang tot extra ondersteuning vanuit de gemeenschap, bijvoorbeeld rond vervoer, huisvesting, geestelijke gezondheidszorg of andere problemen die aanwezigheid bemoeilijken.
Dat laatste punt vind ik persoonlijk misschien wel het belangrijkste. Discussies over afwezigheden gaan soms snel over motivatie, discipline of verantwoordelijkheid. Deze review laat opnieuw zien dat aanwezigheid vaak een symptoom is van bredere problemen. Wanneer een leerling niet op school geraakt omdat er thuis instabiliteit is, omdat vervoer ontbreekt of omdat er psychische problemen spelen, dan ligt de oplossing niet noodzakelijk in strengere regels of extra gesprekken alleen.
Tegelijk moeten we voorzichtig blijven. Deze review is voor alle duidelijkheid geen meta-analyse. We krijgen dus geen gemiddelde effectgrootte te zien. Bovendien komen 33 van de 37 studies uit de Verenigde Staten. Dat betekent niet dat de bevindingen niet relevant zijn voor Vlaanderen, maar wel dat we moeten opletten met al te snelle veralgemeningen. Ja, context blijft een ding.
Wat ik vooral meeneem uit deze review, is dat schoolaanwezigheid zelden een probleem is dat scholen alleen kunnen oplossen. Goede aanwezigheid ontstaat niet enkel door wat er in de klas gebeurt, maar ook door wat er thuis gebeurt en door de ondersteuning die gezinnen al dan niet kunnen krijgen. Misschien daarom dat ik moest terugdenken aan iets wat Jaap Dronkers ooit zei of schreef: onderwijsbeleid is gezinsbeleid.