De voorbije week heb ik relatief veel onderzoek bekeken voor deze blog en, bij wijze van spreken, teruggelegd. Niet omdat het slecht onderzoek was, maar omdat het vaak me voorkwam als: wisten we grotendeels al en ik heb al vaker over bevestiging van dit idee geschreven. Maar dit onderzoek van Hope Kean en collega’s wekte in feite onmiddellijk mijn interesse, al besefte ik al snel dat het misschien sommige onderwijsdie-hards zal teleurstellen. De praktische consequenties zijn zeer beperkt, maar lees het verhaal toch maar verder, want het is meer dan fascinerend. Het raakt namelijk aan een oud vraagstuk: heb je taal nodig om te kunnen denken. Voor logisch redeneren lijkt het antwoord alvast nee te zijn, en men heeft dit op een uitermate interessante manier onderzocht.
De discussie?
Een deel van mijn persoonlijke fascinatie voor dit onderzoek is omdat de vraag of we taal nodig hebben om te denken, ongeveer zo oud is als het denken over denken zelf. Aristoteles maakte al een onderscheid tussen woorden en de mentale processen waarnaar die woorden verwijzen. Veel eeuwen later ontstond het idee van een language of thought. Dit is de gedachte dat ons denken een soort van eigen taal kent. Deze zou bestaan uit elementen die op een gestructureerde manier met elkaar worden gecombineerd. Niet onlogisch komt dan al snel de vraag, of die zogezegde taal van het denken ook onze gewone, natuurlijke taal is.
En dat is minder vanzelfsprekend als je misschien zou kunnen denken. We kunnen namelijk complexe ideeën immers ook uitdrukken in wiskundige symbolen, diagrammen of – zoals ikzelf graag doe – zelfs muziek. En een zin om over te kauwen: dat een gedachte in woorden kan worden gegoten, betekent nog niet noodzakelijk dat die gedachte ook in woorden tot stand is gekomen.
Er blijken bovendien al langer aanwijzingen te bestaan dat taal en denken minstens gedeeltelijk los van elkaar kunnen staan. Hiervoor is het interessant om te kijken naar mensen met afasie. Dit zijn mensen die een hersenletsel hebben gekregen, waardoor ze een taalstoornis hebben ontwikkeld en hierdoor moeite hebben met praten, begrijpen, lezen of schrijven. Maar… ondanks deze taalstoornis kunnen ze bijvoorbeeld soms wel nog wiskundig of causaal redeneren en zich inleven in wat anderen denken. Ook hersenonderzoek suggereerde eerder al dat bijvoorbeeld wiskundig denken, programmeren en sociaal redeneren niet simpelweg gebruikmaken van de hersengebieden die we voor taal gebruiken.
Maar voor een misschien wel cruciale vorm van denken was het bewijs veel minder duidelijk: abstract logisch redeneren. En net daar wilden Kean en collega’s meer duidelijkheid over krijgen.
Hoe onderzocht men het?
De onderzoekers kozen voor een combinatie die ik geniaal in zijn eenvoud vind. Eerst lieten ze gezonde volwassenen verschillende redeneertaken uitvoeren terwijl hun hersenactiviteit met fMRI werd gemeten. Daarbij werd voor iedere deelnemer eerst afzonderlijk bepaald welke hersengebieden deel uitmaakten van het taalnetwerk. Vervolgens kregen de deelnemers verschillende soorten logische problemen op te lossen.
Concreet moesten ze bijvoorbeeld bij inductief redeneren uit een aantal getallenreeksen afleiden welke regel werd toegepast, zoals bekend van IQ-testen. Bij deductief redeneren kregen de respondenten syllogismen voorgeschoteld, waarbij ze moesten bepalen of een conclusie logisch volgde uit de gegeven uitgangspunten of premissen. Daarnaast waren er ook matrixproblemen met geometrische figuren, ook weer vergelijkbaar met wat je misschien uit intelligentietests kent.
De redenering achter het experiment is eenvoudig. Als we natuurlijke taal gebruiken om logisch te redeneren, dan zou je verwachten dat de taalgebieden in onze hersenen meer activiteit vertonen wanneer het logische denkwerk moeilijker wordt.
Dat bleek nauwelijks te gebeuren. De taalgebieden reageerden zoals verwacht sterk wanneer mensen taal verwerkten, maar veel minder of niet wanneer de logische eisen van de opdrachten toenamen. Voor inductief redeneren was er wel een klein effect, maar het effect van taal zelf was meer dan vier keer zo groot. Voor deductief en matrixredeneren vonden de onderzoekers geen significant effect in het taalnetwerk.
Stap 2?
Maar de volgende stap zorgde voor nog meer evidentie. De onderzoekers vonden twee mensen met zeer ernstige afasie als gevolg van uitgebreide hersenschade. Hun taalvermogen was hierbij echt zwaar aangetast. Op verschillende grammaticale tests presteerden ze zelfs rond kansniveau, dat wil zeggen dat ze bij sommige opdrachten nauwelijks beter presteerden dan wanneer ze gewoon willekeurig een antwoord zouden kiezen.
Als taal noodzakelijk is om logisch te kunnen denken, zou je verwachten dat deze twee mensen dus ook enorme problemen zouden hebben met de redeneertaken. Maar nee, het tegendeel bleek waar.
Bij de inductieve taak loste de ene persoon 19 van de 25 regels op en de andere 39 van de 40. Hun prestaties verschilden niet significant van die van mensen zonder afasie. Bij de matrixproblemen scoorden ze 25 op 30 en 26 op 30. Dat was zelfs behoorlijk beter dan het gemiddelde voor hun leeftijd.
Er gebeurde trouwens nog iets interessants in de hersenscanner. Inductief redeneren en matrixredeneren activeerden vooral het zogenaamde multiple demand network, een netwerk dat we gebruiken bij allerlei cognitief veeleisende opdrachten. Maar deductief redeneren met syllogismen deed zelfs dat niet en leek weer andere hersengebieden te activeren. Er zou dus mogelijk niet eens één algemeen redeneersysteem naast ons taalsysteem bestaan. Verschillende vormen van redeneren lijken deels verschillende systemen te gebruiken.
Wat betekent dit nu concreet?
Even ervoor zorgen dat er geen nieuwe mythe ontstaat: dit betekent niet dat taal onbelangrijk is voor denken. Wat de onderzoekers wel behoorlijk overtuigend aantonen, is dat natuurlijke taal bij volwassenen niet nodig lijkt om formeel logisch te kunnen redeneren. Waaruit die language of thought dan wel bestaat, weten we vooralsnog nog niet.
En hier zit meteen de mogelijke teleurstelling voor sommige onderwijsmensen: je kunt hier niet uit besluiten dat taal voor leren weinig belangrijk is. Taal kan ons denken ondersteunen en kan bovendien belangrijk zijn bij het leren van abstracte concepten. Dit onderzoek gebeurde bij volwassenen en vertelt ons dus niet of kinderen taal nodig hebben om logisch te leren redeneren. Dat noemen de onderzoekers zelf expliciet een open vraag.
Er zijn ook beperkingen. Het hersenonderzoek omvatte 29 volwassenen en het spectaculaire onderzoek bij mensen met ernstige afasie welgeteld twee personen. Gelukkig is die groep relatief klein in onze samenleving. Maar de beperkte pool van mogelijke deelnemers met afasie is tegelijk minder problematisch dan het lijkt. Als taal noodzakelijk zou zijn om logisch te redeneren, vormen twee mensen die nauwelijks nog grammaticale taal kunnen verwerken maar wél uitstekend logisch redeneren al een behoorlijk lastig probleem voor die stelling.,