Competitie kan niet altijd kwaad voor leren

Laat ons eerlijk zijn, competitie heeft in het onderwijs niet altijd een echt goede reputatie. Deze blog wordt geen pleidooi om dit zomaar opnieuw in te voeren. Maar een nieuw onderzoek van Corwin Senko en Sarah Pallone suggereert dat we misschien niet alleen moeten kijken óf leerlingen beter willen presteren dan anderen, maar ook waarom ze dat zouden willen, want dat kan nogal verschillen…

De onderzoekers vertrekken daarvoor van wat het goal complex model wordt genoemd. Ik had hier zelf nog niet echt bij stilgestaan, maar dat model maakt een onderscheid tussen het doel dat iemand nastreeft en de reden waarom iemand dat doel nastreeft.

Om het concreet te maken, stel je bijvoorbeeld voor dat twee leerlingen allebei graag de beste van de klas willen zijn. Op het eerste gezicht hebben ze hetzelfde doel: beter presteren dan anderen. Maar misschien wil de ene leerling dit omdat die het gewoon leuk vindt om zich met anderen te meten. Of gaat die gewoon graag een uitdaging aan. Misschien vindt hij of zij het gewoon persoonlijk belangrijk om je best te doen of goed te presteren. Een andere leerling kan hetzelfde doel nastreven om hele andere redenen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij druk voelt, bang is om anderen teleur te stellen, zichzelf wil bewijzen of een beloning wil krijgen.

In de taal van de onderzoekers gaat het in het eerste geval om meer autonome redenen en in het tweede om meer controlerende redenen. Eerder onderzoek suggereerde al dat dit onderscheid belangrijk kan zijn. Prestatiedoelen lijken vooral samen te hangen met minder wenselijke uitkomsten wanneer mensen ze om eerder controlerende redenen nastreven. Maar veel van dat vroegere onderzoek had nogal beperkingen. Men baseerde zich namelijk vaak op vragenlijsten. Je kunt dan bijvoorbeeld vaststellen dat leerlingen die veel druk ervaren ook angstiger zijn, maar daarmee weet je nog niet of die druk die angst veroorzaakt. Juist, het verschil terug tussen correlatie en causaliteit.

Senko en Pallone wilden daarom een stap verder gaan en voerden twee experimenten uit. In het eerste experiment namen 261 Amerikaanse universiteitsstudenten deel. Ze leerden eerst hoe ze sudokupuzzels moesten oplossen en kregen daarna een reeks nieuwe puzzels. De deelnemers werden willekeurig (random) verdeeld over drie groepen. Eén groep kreeg simpelweg de opdracht om de puzzels op te lossen. Een tweede groep kreeg als doel om beter te presteren dan andere deelnemers, maar dat werd op een controlerende manier neergezet. De onderzoekers gebruikten bijvoorbeeld formuleringen als you must en you should. De onderzoekers benadrukten verder nog dat zij het doel hadden gekozen. Meer nog, de onderzoekers vertelden de deelnemers ook nog dat de prestaties achteraf zouden worden geëvalueerd.

De derde groep kreeg óók de opdracht om beter te presteren dan anderen. De competitie verdween dus niet. Maar… nu legde men de nadruk veel meer op meer autonome motivatie. Hiervoor gebruikten de onderzoekers meer keuzeondersteunende taal. Verder erkenden ze bijvoorbeeld ook dat deelnemers het misschien helemaal niet leuk vonden om met anderen te concurreren en benadrukten ze dat ze zelf konden beslissen of ze dat doel wilden nastreven. De feedback die de studenten vervolgens achteraf kregen werd bovendien niet voorgesteld als een beoordeling door anderen. Nee, het was informatie waarmee deelnemers hun eigen prestaties konden bekijken. Bijna alle deelnemers aan het experiment gingen trouwens akkoord om het competitieve doel na te streven.

Wat ontdekten de onderzoekers nu uit deze RCT?  De deelnemers die het controlerend geformuleerde prestatiedoel hadden gekregen, ervaarden de taak sterker als een bedreiging en minder als een positieve uitdaging dan de deelnemers die helemaal geen prestatiedoel hadden gekregen. Bij de autonoom geformuleerde competitie zag je dat verschil niet. Deze studenten reageerden ongeveer zoals de controlegroep.

Dat gevoel van bedreiging bleek vervolgens samen te hangen met meer angst tijdens het oplossen van de puzzels. En die angst hing op haar beurt samen met slechtere prestaties. De onderzoekers vinden op deze manier een indirect pad van het controlerende prestatiedoel, via het ervaren van bedreiging en angst, naar lagere prestaties. Voor het autonome prestatiedoel vinden ze dat niet. Een belangrijk verschil dus.

Maar er zat een issue in dit eerste experiment. De onderzoekers hadden makkelijke en moeilijke sudokupuzzels willen gebruiken. Het probleem was echter dat de makkelijke puzzels helemaal niet zo makkelijk bleken te zijn. De deelnemers losten gemiddeld 67 procent daarvan correct op, tegenover 58 procent bij de meer moeilijk ingeschatte puzzels. Eigenlijk waren er dus vooral moeilijke en nóg moeilijkere opgaven. HIerdoor konden de onderzoekers een belangrijke hypothese niet goed testen. Misschien wordt die controlerende competitie vooral een probleem wanneer mensen met iets echt moeilijks geconfronteerd worden.

Daarom deden ze een tweede experiment, nu met 249 andere studenten en een ander soort opgaven. Dit keer gebruikten ze matrixproblemen. Hierbij krijg je een patroon te zien waarin één element ontbreekt en moet je uit verschillende mogelijkheden afleiden welk element het patroon vervolledigt. Het doet me zelf vooral denken aan wat je soms bij IQ-testen ziet.

Het voordeel van dit soort opgaven was dat de onderzoekers de moeilijkheid veel beter konden variëren. En die manipulatie lukte ook: van de makkelijke problemen werd gemiddeld 95 procent correct opgelost, van de middelmatige 85 procent en van de moeilijke 61 procent. Handig.

Verder werd de opzet behouden. En opnieuw zagen de onderzoekers hetzelfde eerste effect. Wie op een controlerende manier de opdracht kreeg om beter te presteren dan anderen, ervaarde meer bedreiging. Bij de autonome variant was dat niet het geval. Maar nu konden de onderzoekers dus ook zien wat er gebeurde naarmate de problemen moeilijker werden.

Bij de makkelijke problemen maakte het nauwelijks iets uit. De controlegroep loste gemiddeld 94 procent correct op, tegenover 96 procent in beide competitieve condities. Bij de middelmatige problemen waren de verschillen eveneens niet significant. Maar bij de moeilijkste problemen ontstond wel een verschil. De controlegroep haalde gemiddeld 65 procent, de groep met het controlerende prestatiedoel 60 procent en de groep met het autonome prestatiedoel 62 procent. In de analyses presteerde de controlerende groep significant slechter dan de controlegroep; voor de autonome groep was dat verschil niet significant.

Dat laatste is belangrijk om goed te lezen. Dit onderzoek toont dus niet dat competitie de prestaties verbeterde. De autonome competitiegroep deed het niet beter dan de groep die helemaal geen competitief doel had gekregen. Wat deze twee experimenten wel suggereren, is dat het te eenvoudig is om te stellen dat het streven om beter te presteren dan anderen op zichzelf schadelijk is.

Er bestaat een verleiding om onderwijsdiscussies in eenvoudige tegenstellingen te voeren: competitie versus samenwerking, prestatiedoelen versus leerdoelen, intrinsieke versus extrinsieke motivatie en nog vele andere onderwerpen die vaak op deze blog de revue passeren. Dit onderzoek suggereert dat terug één van die tegenstellingen ingewikkelder ligt. Twee leerlingen kunnen allebei beter willen presteren dan de rest, maar de psychologische betekenis ervan kan behoorlijk verschillen.

Ik heb nogal de tijd genomen in deze post om het onderzoek uit te leggen, zodat je ook begrijpt dat je dit niet 1 op1 kan overzetten naar de dagelijkse klaspraktijk. Dit waren geen experimenten in echte klassen, maar relatief korte studies met Amerikaanse universiteitsstudenten die sudoku’s en matrixproblemen moesten oplossen. De onderzoekers manipuleerden bovendien niet alleen het competitieve doel zelf, maar ook de hele manier waarop dat doel werd aangeboden: de gebruikte taal, de ervaren keuze en de manier waarop latere feedback en evaluatie werden voorgesteld. Je kunt op basis van deze studie dus moeilijk besluiten dat het niet erg is om ranglijsten en wedstrijdjes in iedere klas te introduceren.

Want besef goed, de resultaten zijn veel overtuigender als bewijs voor de nadelen van controlerende competitie dan voor de voordelen van autonome competitie. Dus het besluit is eerder dat een leerling die het leuk vindt om zich met een klasgenoot te meten, daar niet noodzakelijk minder door hoeft te leren. Een wedstrijdje of de wens om eens de beste te zijn hoeft dus niet automatisch pedagogisch verdacht te zijn. Maar zodra willen winnen verandert in moeten winnen, lijkt het verhaal anders te worden.

Geef een reactie