Het is een hot topic in de media en ik schreef er zelf al vaker over: de relatie tussen sociale media en de mentale gezondheid van jongeren. Een mentale gezondheid die achteruitgaat en waarvoor we al langer naar verklaringen (bewust meervoud) zoeken. En wie op dit thema een eenvoudig antwoord zoekt, komt meestal bedrogen uit. Ja, ik kijk naar u, welbepaalde partijvoorzitter.
Deze zomer schreef ik over een Zweedse studie die ruim 3.000 jongeren gedurende vijf jaar volgde. Dit onderzoek vond dat de hoeveelheid tijd die jongeren op sociale media doorbrachten hun latere mentale gezondheid niet voorspelde zodra de onderzoekers rekening hielden met verschillen die al bij aanvang bestonden. Mijn conclusie toen: misschien kijken we te veel naar hoeveel jongeren sociale media gebruiken en te weinig naar wat ze er doen.
Een nieuwe studie van Alva Tang en collega’s voegt een nieuw puzzelstukje toe aan het verhaal. Ze tonnen dus niet aan dat sociale media toch depressie veroorzaken. Ze benaderden dit vraagstuk vanuit een andere hoek. Misschien moeten we niet alleen kijken naar hoeveel jongeren sociale media gebruiken, maar ook naar veranderingen binnen dezelfde jongeren. Misschien is er een soort van mogelijke tussenstap tussen sociale media en mentale issues? De onderzoekers vermoeden dat die er is, namelijk cognitieve controle.
Cognitieve controle gebruiken ze als verzamelterm voor mentale processen die ons helpen gedachten en gedrag te sturen. Denk aan het onderdrukken van een automatische reactie, je aandacht ergens bij houden of relevante informatie actief in je werkgeheugen houden. Deze vaardigheden ontwikkelen zich nog tijdens de adolescentie en eerder onderzoek bracht ze al in verband met de mentale gezondheid. Zelf moest ik direct aan executieve functies denken. Cognitieve controle overlapt sterk met de processen die we onder die noemer plaatsen.
Voor hun analyses gebruikten de onderzoekers gegevens uit de grote Amerikaanse ABCD-studie. Hun analyses omvatten 9.747 kinderen die vanaf ongeveer 9 à 10 jaar vier jaar lang werden gevolgd, met drie meetmomenten. De jongeren rapporteerden zelf hun socialemediagebruik en totale schermtijd (ja, dat is een beperking). Ouders rapporteerden depressieve en angstklachten (ook een beperking). Cognitieve controle werd dan weer niet met een vragenlijst gemeten, maar met twee prestatietaken (beter).
Elk onderzoek heeft beperkingen, maar gelukkig ook vaak sterke punten. Een van die sterkepunt hier, naast de enorme hoeveelheid data, is dat de onderzoekers twee zaken van elkaar trachten te onderscheiden: verschillen tussen jongeren enderzijds en veranderingen binnen dezelfde jongere anderzijds.
Waarom is dit relevant? Jongeren die doorgaans veel sociale media gebruiken, kunnen op allerlei vlakken verschillen van jongeren die dat niet doen. Dat is een andere vraag dan wat er gebeurt wanneer één bepaalde jongere opeens meer sociale media gaat gebruiken dan hij of zij gewoonlijk doet.
Wat blijkt? Wanneer jongeren bij de eerste meting meer sociale media gebruikten dan voor hen gebruikelijk was, voorspelde dit twee jaar later een iets slechtere cognitieve controle. En het was precies die lagere cognitieve controle die vervolgens iets meer depressieve symptomen voorspelde twee jaar later. Let wel, zoals in veel eerder onderzoeken, bleken de verbanden klein. Het ging telkens om ongeveer β = -.06. Maar het indirecte verband was wel degelijk statistisch significant. De onderzoekers vonden een vergelijkbaar patroon voor de totale schermtijd.
Als we het proberen te vatten in een schema, krijg je dus:
meer sociale media/schermtijd dan gewoonlijk
-> iets minder cognitieve controle
-> iets meer depressieve symptomen later
Dus het idee van een soort van tussenstap blijkt helemaal niet vergezocht. Een mogelijk effect loopt dus misschien niet rechtstreeks van schermgebruik naar depressie, maar kan via andere ontwikkelingsprocessen verlopen.
Toch moeten we voorzichtig blijven. Dit onderzoek toont niet aan dat sociale media de cognitieve controle aantasten en daardoor depressie veroorzaken. De effecten zijn (terug) klein en ook met dit soort longitudinaal onderzoek kun je niet alle andere verklaringen uitsluiten. De auteurs noemen bijvoorbeeld zelf slaap en vermoeidheid als mogelijke factoren die zowel met schermgebruik als cognitieve controle kunnen samenhangen. Iets waar ik zelf sterk in geloof.
Er is bovendien een ander onderzoeksresultaat dat goed laat zien waarom we steeds voorzichtig moeten zijn. Als je jongeren met elkaar vergelijkt, in plaats van naar veranderingen binnen dezelfde persoon te kijken? Dan bleken jongeren die gemiddeld méér sociale media gebruikten juist een betere cognitieve controle te bezitten. Hun gemiddelde socialemediagebruik hing bovendien niet significant samen met depressieve of angstklachten.
Dit lijkt misschien een soort paradox te zijn, maar dat hoeft zo niet te zijn. Het betekent vooral dat “wie veel sociale media gebruikt” een andere vraag is dan “wat gebeurt er wanneer iemand meer sociale media gaat gebruiken dan gewoonlijk”.
Voor meisjes vonden de onderzoekers trouwens nog een ander patroon wanneer ze naar de totale schermtijd keken. Meer schermtijd voorspelde twee jaar later iets meer depressieve symptomen. Deze depressieve symptomen voorspelden vervolgens twee jaar later zowel meer schermtijd als meer angst. Dit patroon vonden ze bij jongens niet op dezelfde manier.
Eerder onderzoek suggereerde dat het kan uitmaken wanneer tijdens de adolescentie sociale media worden gebruikt. Ander onderzoek herinnerde ons eraan dat sociale media slechts één onderdeel zijn van een veel groter geheel. Deze studie voegt daar een nieuwe vraag aan toe: via welke mechanismen zouden eventuele effecten kunnen ontstaan? Cognitieve controle zou daar een stukje van kunnen zijn, maar er is dus een pak meer onderzoek nodig. Hoe meer we hierover weten, hoe moeilijker het in elk geval wordt om het verhaal samen te vatten als “sociale media maken jongeren depressief”.