Een van de grote zorgen rond generatieve AI in het onderwijs gaat over schrijven, of beter het evalueren van schrijven. Als leerlingen en studenten hun teksten door ChatGPT of een andere AI kunnen laten neerpennen, hoe weten we dan nog zeker of ze zelf wel of niet hebben nagedacht? Het leidt ondertussen tot allerlei oplossingen: meer examens in gecontroleerde omstandigheden, software die het schrijfproces volgt, of mondelinge verdedigingen, enzovoort.
Maar een opiniestuk uit de New York Times dat gisteren met mij gedeeld werd via sociale media formuleert een provocerende gedachte. De auteur, Joe Cruz, draait de redenering om: wat als we veel te gemakkelijk aannemen dat schrijven de beste manier is om te leren denken? Misschien moeten we niet proberen het oude essay, koste wat het kost, tegen AI te beschermen. Nee, laten we veel meer gebruikmaken van gesprekken, discussies en mondelinge examens. Daar moet een student immers ter plekke uitleggen, reageren, argumenteren en verdedigen. Het is een interessante, al niet noodzakelijk originele gedachte. Alleen struikelde ik over een van de argumenten waarmee Joe Cruz zijn stelling verdedigt.
Volgens de auteur is het bewijs dat schrijven het denken bevordert namelijk “thin at best“. Het idee dat we door te schrijven ontdekken wat we denken, zou bovendien vooral teruggaan op de writing-across-the-curriculumbeweging vanaf de jaren zeventig. In zijn stuk verwijst hij naar James Britton. Deze zou in 1980 hebben “hypothesized” dat we tijdens het schrijven ontdekken wat we denken. Hypothese is volgens de auteur het cruciale woord, want overtuigend bewijs zou nooit zijn geleverd.
Nou? Nee. Er is namelijk wel degelijk onderzoek naar wat we writing to learn noemen. Graham, Kiuhara en MacKay verzamelden bijvoorbeeld 56 experimentele en quasi-experimentele studies naar schrijven als middel om te leren in onder meer wetenschappen, sociale wetenschappen en wiskunde. Over de studies heen vonden ze een positief effect op leren van ongeveer 0,30 standaarddeviatie.
Toegegeven, dat is geen gigantisch effect. Het betekent zeker ook niet dat schrijven automatisch tot kritisch denken kan leiden. En het bewijst al helemaal niet dat schrijven beter is dan spreken, discussiëren of mondeling verdedigen. Maar “thin at best” lijkt me voor deze literatuur moeilijk vol te houden.
Er bestaat bovendien een echt bredere onderzoekslijn waarin schrijven en lezen met elkaar verbonden worden. Schrijven over wat je leest kan bijvoorbeeld het tekstbegrip versterken, net zoals schrijfonderwijs ook positieve effecten op lezen kan hebben. Hiervoor zijn voor alle duidelijkheid verschillende mogelijke verklaringen mogelijk. Wie iets moet opschrijven, moet informatie selecteren, organiseren en verbinden met wat hij of zij al weet. Je moet gedachten expliciet maken die anders misschien vaag waren gebleven. Alleen al proberen iets coherent te formuleren kan duidelijk maken waar er nog gaten in je begrip zitten.
Of anders gezegd: schrijven is niet alleen een manier om een gedachte die al volledig gevormd is op papier te zetten. Het schrijfproces zelf maakt dan deel uit van het leren.
Maar heeft Cruz dan het helemaal fout? Volgens mij heeft hij wél een belangrijk punt. Uit de evidentie dat het schrijven leren kan ondersteunen, volgt namelijk niet dat schrijven de beste manier zou zijn om te leren denken. Nog minder volgt eruit dat een geschreven essay altijd de beste manier is om vast te stellen wat iemand wel of niet begrijpt.
In feite zijn dit drie verschillende claims die door elkaar gehaald worden:
- schrijven kan het leren ondersteunen;
- schrijven kan denkprocessen ondersteunen;
- een geschreven tekst is een goede manier om te beoordelen hoe goed iemand kan denken.
Voor de eerste twee is er behoorlijk wat ondersteuning, meer dan je op basis van Cruz zou verwachten. Bij de derde wordt het door generatieve AI plots veel ingewikkelder. In feite is er nu een meer fundamentele vraag: wat proberen we eigenlijk te bereiken wanneer we studenten laten schrijven?
Als het doel is dat studenten leren schrijven, dan moeten ze uiteraard schrijven. Die is makkelijk, zelfs in een wereld waarin AI teksten kan produceren. Het blijft een belangrijke vaardigheid zelf helder te kunnen formuleren.
Als het doel is dat studenten door schrijven bepaalde leerstof beter verwerken, dan hebben we goede redenen om hen eveneens zelf te laten schrijven. Het schrijfproces is dan niet alleen een middel om een eindproduct te krijgen; het is onderdeel van de leeractiviteit.
Maar als het doel is om vast te stellen of iemand iets begrijpt, is een geschreven tekst slechts één mogelijke vorm van evidentie. Een gesprek, presentatie, debat of mondelinge verdediging kan andere aspecten zichtbaar maken, al kan dit minder efficiënt zijn dan een al dan niet zelfgeschreven tekst. En misschien wordt een combinatie juist interessanter: schrijven, eventueel met duidelijk omschreven gebruik van AI, gevolgd door vragen waarop een student vooralsnog niet het perfecte antwoord heeft kunnen voorbereiden.
Dat brengt me uiteindelijk bij een onderscheid dat ik in het oorspronkelijke opiniestuk bijzonder waardevol vind. Een geschreven tekst is niet alleen een middel om te denken. Het kan ook een spoor van denken zijn: iets dat kan worden ingeleverd, bewaard, herlezen en beoordeeld. Voor scholen en universiteiten is dat buitengewoon handig. Maar administratieve bruikbaarheid en pedagogische waarde zijn niet hetzelfde.
AI dwingt ons daarom misschien niet afscheid te nemen van schrijven. Integendeel. Het dwingt ons nauwkeuriger te bepalen waarom we iemand laten schrijven.