Het voelt vandaag alsof AI ineens het probleem is. Alsof hallucinaties, foute citaties en oppervlakkige teksten pas bestaan sinds ChatGPT en consorten. Eerlijk, vanuit mijn rol als onderwijs mythbuster weet ik wel beter. Slechte of verkeerde citaties zijn geen AI-probleem. Ze zijn van alle tijden. Hetzelfde zie je ook bij de discussies over AI en evaluatie in het onderwijs.
Categorie archief: Op de werkvloer
Universiteit van Vlaanderen over de interactie tussen armoede en mentale gezondheid
Over deze video van de Universiteit van Vlaanderen:
Armoede is niet alleen een kwestie van geld, maar van gemoedsrust. Angst, stress en depressie maken het bijna onmogelijk om duurzame beslissingen te nemen en vooruit te komen. Psycholoog prof. dr. Bram Vervliet (KU Leuven) en socioloog prof. dr. Sarah Van de Velde (UAntwerpen) bespreken in deze Vooruitblik hoe mentale gezondheid en armoede elkaar versterken en hoe je die vicieuze cirkel kan doorbreken.
Er zit veel goeds in deze video, maar ook soms zaken waar ik initieel toch een beetje van opkeek. Zo wordt de startvraag of arme mensen dommer zijn, direct snel weggezet, maar… de interactie is wel degelijk bekend. Zie het onderzoek dat bekend werd door werk van Mullanaithan en Shafir in hun boek Schaarste. Dit wordt dan een stuk verder in de video wel degelijk goed uitgelegd, maar zal je missen als je te vroeg afhaakt.
Wat een Science-artikel over topprestaties wel en niet zegt
Eind vorig jaar verscheen in Science een reviewartikel dat bijzonder veel aandacht kreeg. Het stuk van Arne Güllich n collega’s bundelt onderzoek naar de ontwikkeling van uitzonderlijke prestaties in domeinen als topsport, wetenschap, muziek en schaken, en trekt een opvallende conclusie: vroege uitblinkers blijken zelden dezelfde personen te zijn als degenen die later tot de absolute wereldtop behoren. Vroege specialisatie en snelle vooruitgang zouden zelfs negatief samenhangen met latere topprestaties. Maar wacht laten we even stilstaan bij wat dit science-artikel over topprestaties wel en niet zegt.
Over geboortecijfers, politieke reflexen en wat onderwijs als eerste voelt
De wereld verandert op demografisch vlak, en sneller dan we gewend zijn. In de VS, Europa en steeds meer andere regio’s dalen de geboortecijfers scherp. Ze bevinden zich inmiddels onder het niveau waarbij een generatie zichzelf automatisch vervangt. Dat klinkt technisch, maar de gevolgen zijn allesbehalve abstract.
Wat opvalt, is hoe snel dit demografische gegeven een politiek strijdpunt wordt. In de Verenigde Staten zijn het vooral conservatieve stemmen die het debat claimen. Zij koppelen dalende geboortecijfers aan morele argumenten, traditionele gezinsbeelden of uitgesproken beleidsvoorstellen rond voortplanting en gezin. Progressieve stemmen reageren veel terughoudender. Niet omdat het probleem niet wordt gezien, maar omdat men vreest dat het thema meteen wordt ingezet tegen reproductieve rechten, diversiteit of emancipatie.
Onderwijs is geen roeping. En dat is goed nieuws.
Vijf jaar geleden schreef ik dat onderwijs maar beter geen roeping kan zijn. Niet omdat het werk onbelangrijk zou zijn. Integendeel. Maar omdat het idee van roeping te vaak wordt ingezet om grenzen te vervagen. Wie het “echt meent”, klaagt niet. Wie uitgeput raakt, heeft blijkbaar niet genoeg passie. En structurele problemen worden zo netjes teruggelegd bij het individu.
Wat me toen opviel in de reacties, was niet zozeer verzet, maar vooral herkenning. Alsof het idee al langer leefde, maar dat ik het toevallig zo expliciet benoemde.
De voorbije jaren is dat ongemak trouwens volgens mij alleen maar meer zichtbaard geworden. En niet alleen in het onderwijs, maar ook in andere sectoren waar werk sterk wordt verbonden met identiteit en betekenis zoals bijvoorbeeld de gezondheidszorg. Ook de academische wereld is daar een uitgesproken voorbeeld van. En precies daar las ik recent een artikel dat voelde als bijna een echo van die oude post.
Het gaat om een opiniestuk van Laurel Raffington, gepubliceerd in Nature Human Behaviour. De titel is bewust scherp: Academia is just a job. Geen roeping. Geen levensmissie. Gewoon werk.
Die formulering kan voor sommigen als heiligschennis aanvoelen. Maar Raffington maakt meteen duidelijk dat dit geen pleidooi is tegen passie of betrokkenheid. Ze schrijft expliciet dat ze van wetenschap houdt. Het punt is niet dat het werk betekenisloos is, maar dat betekenis te vaak wordt misbruikt om structurele problemen te verdoezelen.
Wat het artikel scherp blootlegt, is hoe “liefde voor het vak” in academia functioneert als morele hefboom. Onzekere contracten, extreme werkdruk en voortdurende prestatiedruk worden genormaliseerd. Wie het niet volhoudt, krijgt al snel het gevoel dat dat aan hem ligt. Niet aan het systeem. Alsof uitval een gebrek aan roeping verraadt, eerder dan een grens die werd overschreden.
Dat mechanisme is pijnlijk herkenbaar. Ook in het onderwijs. Ook daar zeggen we dat mensen het verschil maken. Dat ze bevlogen zijn. Dat ze het doen “voor de leerlingen”. En tegelijk bouwen we structuren waarin tijd schaars is, ondersteuning fragiel en verwachtingen eindeloos rekbaar. Wie grenzen trekt, moet die vaak eerst uitleggen of verdedigen.
Het interessante aan Raffingtons betoog is dat ze expliciet afstand neemt van het idee dat minder roeping zou leiden tot minder kwaliteit. Integendeel. Door werk als werk te benoemen, wordt het mogelijk om het duurzaam te organiseren. Om grenzen normaal te maken. Om verantwoordelijkheid te leggen waar ze hoort: bij instellingen, beleid en organisatie, niet alleen bij individuele inzet.
Dat was ook de kern van mijn punt in 2021. Onderwijs heeft geen martelaren nodig, maar professionals. Mensen die hun vak kennen, hun leerlingen serieus nemen en hun werk zinvol vinden. Maar dat vraagt geen heiligverklaring. Het vraagt professionaliteit. Begrenzing. Ondersteuning.
Misschien verklaart dat ook waarom die post toen zo weinig weerstand opriep. Niet omdat de boodschap comfortabel was, maar omdat ze raakte aan iets wat veel mensen al langer aanvoelden. Dat betekenisvol werk geen vrijgeleide mag zijn voor structurele overbelasting.
Vijf jaar later klinkt die boodschap niet radicaler, maar breder gedragen. Ze duikt nu op in de wetenschap, de zorg, het onderwijs. Minder als aanklacht. Meer als nuchtere vaststelling. En misschien is dat precies wat dit soort werk nodig heeft. Minder romantiek. Meer zorg. Voor het werk én voor de mensen die het doen.
Waarom de Brain Economy wel eens het volgende grote beleidsidee kan worden in 2026
Ik heb geen glazen bol, maar op basis van wat ik vorige week leerde, zou 2026 wel eens het jaar kunnen zijn van The Brain Economy. Als grote spelers als de OESO, UNESCO, het World Economic Forum, en McKinsey zich achter een idee scharen, dan is de kans reëel.
Laten we even kijken naar wat het is, op basis van dit artikel van Harris Eyre en veel mede-auteurs. De Brain Economy vertrekt van een eenvoudige maar ongemakkelijke vaststelling: onze economie draait steeds meer op cognitieve, emotionele en sociale vermogens, terwijl we diezelfde vermogens systematisch onder druk zetten. In klassieke economische modellen blijven hersenen opvallend abstract. Mensen verschijnen er als arbeidskrachten, consumenten of dragers van ‘human capital’, maar zelden als kwetsbare, trainbare en beïnvloedbare biologische systemen. Dat is precies de blinde vlek die het concept van de Brain Economy wil corrigeren
Multitasken tijdens videomeetings leidt tot meer vermoeidheid en slechtere prestaties
Wie ooit in een online vergadering heeft gezeten met ondertussen een mail open, een document dat “even snel” nagekeken moest worden en misschien nog een chatbericht dat binnenliep, zal het gevoel herkennen: druk bezig, maar aan het einde van de meeting toch vooral moe. Een nieuwe studie van Frontzkowski en collega’s, eerder dit jaar verschenen in Computers in Human Behavior Reports, laat zien dat dat gevoel niet zomaar subjectief is. Multitasken tijdens videomeetings maakt ons niet alleen vermoeider, het maakt ons ook aantoonbaar minder goed in wat we doen
Moeten we het niet even hebben over weggegooid geld?
Meer dan zeventig miljard dollar. Dat is wat Zuckerberg en Meta in de metaverse duwde. Niet in kleine stapjes, maar in volle galop, op een idee dat vooral overtuigend was omdat niemand precies wist wat het moest worden. The Zuck was er zo van overtuigd, dat hij er zelfs zijn bedrijf naar noemde. Vandaag wordt datzelfde project geruisloos teruggeschroefd. Nouja, het valt op. Budgetten krimpen, prioriteiten verschuiven, en heel Silicon Valley weet intussen wat niemand hardop wil zeggen: dit is een van de duurste vergissingen van de techgeschiedenis. Niet dat het veel mensen erg verbaast. Een verhaal over de sunk cost fallacy.
Maar laten we eerlijk zijn. De metaverse zelf is niet het echte verhaal. De reflex erachter wel.
Education and Training Monitor 2025: vooruitgang in toegang, achterstand in kwaliteit
De Europese Commissie publiceerde net de Education and Training Monitor 2025, een soort jaarlijkse röntgenfoto van het onderwijs in Europa. En wie door de cijfers bladert, ziet een bekend patroon: sommige structurele problemen worden pijnlijker, terwijl andere domeinen stilaan op koers lijken te zitten. Maar vooral één gedachte blijft hangen: we zijn steeds beter in participatie, maar steeds slechter in wat er écht toe doet. Het rapport leunt zwaar op onder andere ICCS, PIRLS en TIMSS-resultaten, maar kijkt ook verder zoals je onmiddellijk zal merken,
Een eerste grote alarmbel is STEM. Tekorten in engineering, bouw en ICT zijn ondertussen geen nieuws meer, maar de Monitor toont hoe hard de mismatch groeit. Tegen 2035 moet het aantal ICT-professionals met meer dan een derde stijgen, en tegelijk blijft de instroom in zowel beroepsonderwijs als hoger onderwijs steken. Europa zit onder het Verenigd Koninkrijk en Canada qua STEM-afgestudeerden, en bungelt helemaal onderaan voor ICT. Dat vrouwen nog steeds ondervertegenwoordigd zijn, helpt natuurlijk ook niet. Maar zelfs los daarvan: de interesse groeit niet, ondanks alle speeches, posters, strategieën en robotworkshops. Het is niet “Okay, Houston, we’ve had a problem here”, maar “Brussels we seem not to be able to get rid of this problem.”
Een tweede zorg is de staat van onze basisvaardigheden. Rekenen gaat achteruit, digitale geletterdheid blijft zwak en burgerschapscompetenties worden nu aan de lijst van “basis” toegevoegd uit bezorgdheid over desinformatie. Dat is niet onlogisch als je ziet dat 42,5% van de jongeren het minimumniveau niet haalt in computer- en informatievaardigheden. De oorzaken klinken helaas vertrouwd: lerarentekorten, digitale afleiding, steeds minder ouderbetrokkenheid. En toch blijft men verbaasd dat prestaties blijven dalen.
Aan de jongste kant van het onderwijs schuift iets anders de goede richting uit: meer en meer jonge kinderen zitten in de voorschoolse opvang. De deelname van 3-jarigen zit al op 94,6%, bijna de Europese doelstelling. Maar zodra je kijkt naar wat er binnen die opvang gebeurt, wordt het minder rooskleurig. Kwaliteitssystemen focussen nog te vaak op ratios en veiligheid, veel minder op de interacties die juist cruciaal zijn voor ontwikkeling. En wie er het meeste baat bij zou hebben, bereikt de voorschoolse opvang het minst. Juist, ik heb het over de kwetsbare gezinnen.
In het secundair onderwijs daalt het aantal vroegtijdige schoolverlaters tot 9,4%. Terug is dit een mooie evolutie. Maar ook hier zitten de barsten net onder het oppervlak. Jongens, leerlingen met een beperking, nieuwkomers en jongeren in landelijke gebieden blijven oververtegenwoordigd. Het rapport hamert op wat we eigenlijk al lang weten: je pakt schooluitval alleen aan als je onderwijs, welzijn, zorg en lokale netwerken met elkaar verbindt. Geen magische apps, geen losse acties op schoolniveau.
In het beroepsonderwijs zien we dat werkplekleren echt werk of beter kan werken: twee op de drie leerlingen doen het, en de Europese doelstelling is gehaald. Maar internationale mobiliteit blijft een probleem. Slechts 5,3% van de VET-leerlingen gaat naar het buitenland, terwijl het doel 12% is. Dat is extra jammer omdat landen met duidelijke doorstroommogelijkheden tussen VET en hoger onderwijs beter scoren op inclusie én instroom in knelpuntsectoren.
Het hoger onderwijs breidt verder uit: 44,1% van de 25–34-jarigen heeft een diploma, bijna aan de Europese doelstelling. Maar die groei is ongelijk verdeeld. Je afkomst, regio, thuistaal, inkomenssituatie of beperking voorspelt nog altijd veel te sterk of je erbij hoort. Internationale mobiliteit blijft laag en staat mijlenver van de Europese ambitie. Tegelijk tonen landen met flexibele studietrajecten dat het wél kan, op voorwaarde dat je de drempels bewust afbouwt.
Tot slot: levenslang leren. De deelname stijgt licht, maar blijft steken op 39,5%. En net op het moment dat iedereen het heeft over “upskilling” en “reskilling”, gaan basiscompetenties bij volwassenen achteruit. Eén op vijf volwassenen haalt de basisnorm niet voor geletterdheid of gecijferdheid. Slechts 56% heeft voldoende digitale vaardigheden. Wie het het meest nodig heeft, neemt het minst deel.
Wat blijft er dan over, als rode draad doorheen het hele rapport? We slagen er steeds beter in om mensen in het systeem te krijgen, maar steeds minder in om hen écht te laten vooruitgaan. Toegang gaat vooruit, kwaliteit en competenties blijven steken of gaan achteruit. Dat is geen theoretisch probleem maar een structureel risico: voor de economie, voor gelijke kansen, en zelfs voor de democratie.
Een Union of Skills klinkt mooi, maar zonder een Union of Leraren en een Union of (ruime) Basisvaardigheden blijft het vooral een ambitie. Misschien is dat de echte conclusie van dit rapport: we weten perfect waar de knelpunten liggen.
Waarom we vrienden sneller geloven: nieuwe studie over misleiding en hersensynchronisatie
Soms lees je een studie waarvan je halverwege denkt: oké, ik begrijp de richting, maar waarom zitten er nu plots drie prefrontale hersengebieden, een sender–receiverparadigma én golfcoherentie in mijn hoofd? Dat had ik dus bij dit onderzoek naar misleiding en sociale afstand. Het is een knap stuk werk, maar ook echt technisch. De perstekst hielp me om het weer in mensentaal te krijgen. Daarna viel het kwartje: dit gaat over iets dat we allemaal herkennen.
Rui Huang en collega’s onderzochten hoe mensen liegen (de “senders”), maar vooral hoe anderen leugens oppikken of missen (de “detectors”). Ze deden dat niet met vragenlijsten. Ze gebruikten fNIRS-hyperscanning: twee hersenen tegelijk meten terwijl mensen elkaar proberen te beïnvloeden.
In één zin samengevat: wat gebeurt er in een brein én tussen twee breinen wanneer iemand je misleidt?
Wat bleek? Detectors laten zich makkelijker misleiden in een winstcontext dan in een verliescontext. En vooral wanneer de ander een vriend is. Je zou denken dat je bij vrienden kritischer bent. Het omgekeerde gebeurt: vertrouwen zet je waakzaamheid lager. Dat zie je zowel in gedrag als in hersenactiviteit. Vrienden vertonen meer synchronisatie in hersengebieden voor beloning en risico-inschatting. Dat klinkt alsof je “op dezelfde golflengte zit”, maar hier betekent het vooral dat je net iets te snel meegaat in de redenering van de ander.
De voorspellende kracht van die synchronisatie vond ik opvallend. Succesvolle misleiding ging samen met meer synchronisatie in het orbitofrontale en dorsolaterale prefrontale cortexgebied. En ja, ik ben dat straks ook weer vergeten. Maar het belangrijkste: een machine-learningmodel kon op basis van die synchronisatie voorspellen of de detector in een specifieke trial zou worden misleid. En dat al in de eerste seconden. Een soort vroege signatuur van “je gaat dit geloven”.
Het onderzoek staat ver van de klaspraktijk, maar raakt wel iets herkenbaars. Nabijheid verandert je beoordelingsvermogen. Leerlingen nemen soms meer aan van vrienden dan van leraren. Scholen vertrouwen soms te veel op informele inschattingen omdat het team elkaar goed kent. Vertrouwen is belangrijk, maar het maakt je ook kwetsbaar. Dit onderzoek toont dat mooi: het is niet alleen psychologisch, maar ook neurobiologisch.
Het is geen studie die meteen tot concrete aanbevelingen leidt. Gelukkig maar, want niemand wil fNIRS in oudercontacten. Jij ook niet. Maar het biedt wel inzicht in hoe snel en automatisch sociale afstand ons denken beïnvloedt. En hoe moeilijk het is om objectief te blijven wanneer winst, verlies en relaties samen op tafel liggen.
Voor wie dieper wil gaan: het originele artikel is stevig, maar de perstekst is een prima start.
