In een wereld waar technologie zich in een razendsnel tempo ontwikkelt, is het begrijpen van de impact ervan op jongeren belangrijker dan ooit, zie ook alle recente doemberichten en -boeken. Van sociale media tot kunstmatige intelligentie (AI), de manier waarop jongeren met deze technologieën omgaan, kan gevolgen hebben voor hun mentale gezondheid en welzijn. Een recent artikel, gepubliceerd in *The Lancet Child & Adolescent Health*, werpt een kritische blik op de beperkingen van bestaande studies en biedt inzichten in hoe we toekomstig onderzoek kunnen verbeteren om de effecten van AI op jongeren beter te begrijpen.
De afgelopen decennia hebben we verschillende golven van technologische innovaties gezien: van televisie en videogames tot sociale media en smartphones. Elke nieuwe technologie bracht zorgen met zich mee over de mogelijke negatieve effecten op jongeren. Toch blijkt uit onderzoek dat de relatie tussen technologiegebruik en mentale gezondheid complex is en vaak wordt oversimplificeerd. Veel studies hebben bijvoorbeeld moeite om causale verbanden aan te tonen ondanks wat veel mensen lijken te denken, omdat ze zich vaak baseren op zelfrapportages en cross-sectionele data, wat tot tegenstrijdige resultaten kan leiden.
Een van de grootste uitdagingen in het onderzoek naar de impact van technologie op jongeren is de neiging tot “technologisch determinisme”, waarbij technologie vaak als enige oorzaak van problemen wordt gezien. Iets wat ik graag onderschrijf, eerlijk gezegd. Dit determinisme negeert de vele contextuele factoren die ook een rol spelen, zoals sociale ongelijkheid, pandemieën en milieuproblemen. Bovendien zijn veel studies gebaseerd op gegevens uit hooginkomenslanden, waardoor de ervaringen van jongeren in lage- en middeninkomenslanden onderbelicht blijven.
Om deze uitdagingen aan te pakken, pleiten Mansfield en collega’s voor een meer gestructureerde en collaboratieve aanpak. Dit betekent dat onderzoekers, beleidsmakers, de technologiesector en andere belanghebbenden moeten samenwerken om robuuste onderzoeksmethoden te ontwikkelen. Een belangrijk onderdeel hiervan is het gebruik van causale onderzoeksdesigns, zoals gerandomiseerde experimenten, en het beter definiëren van blootstellingen en uitkomsten. Daarnaast is het cruciaal om gegevens te verzamelen die representatief zijn voor diverse populaties, inclusief jongeren uit verschillende culturen en sociaaleconomische achtergronden.
Met de opkomst van AI wordt deze samenwerking nog belangrijker. AI is al diep verweven in het dagelijks leven van jongeren, van chatbots tot content-aanbevelingssystemen. De potentiële voordelen en risico’s van AI zijn divers en contextafhankelijk, wat betekent dat onderzoekers moeten nadenken over hoe ze deze technologieën kunnen bestuderen zonder ze automatisch als problematisch te bestempelen. Een gestructureerde aanpak, waarbij kwalitatieve en observationele gegevens worden gecombineerd met causale onderzoeksmethoden, kan helpen om een beter beeld te krijgen van hoe jongeren AI ervaren en hoe het hun welzijn beïnvloedt.
Persoonlijke noot: ik begrijp dit pleidooi, tegelijk bestaat de kans dat anderen dan de onderzoekers zullen verwijten te werken in functie van big tech. Daarbij sluit wellicht het laatste pleidooi van de onderzoekers aan. Tot slot benadrukken de onderzoekers namelijk het belang van een heldere communicatie tussen wetenschappers, beleidsmakers en het publiek. Het is essentieel dat beleidsmaatregelen gebaseerd zijn op degelijk wetenschappelijk bewijs en niet op anekdotische verhalen of overdreven interpretaties van onderzoeksresultaten. Door samen te werken en te leren van de fouten uit het verleden, kunnen we ervoor zorgen dat toekomstige technologieën, zoals AI, veilig en voordelig zijn voor jongeren.
Kortom, het begrijpen van de impact van technologie op jongeren vereist een meer genuanceerde en collaboratieve aanpak. Door de lessen uit het verleden toe te passen en nieuwe onderzoeksmethoden te omarmen, kunnen we ervoor zorgen dat toekomstige generaties profiteren van technologische innovaties zonder onnodige risico’s te lopen.
Abstract van het artikel:
In this Personal View, we critically evaluate the limitations and underlying challenges of existing research into the negative mental health consequences of internet-mediated technologies on young people. We argue that identifying and proactively addressing consistent shortcomings is the most effective method for building an accurate evidence base for the forthcoming influx of research on the effects of artificial intelligence (AI) on children and adolescents. Basic research, advice for caregivers, and evidence for policy makers should tackle the challenges that led to the misunderstanding of social media harms. The Personal View has four sections: first, we conducted a critical appraisal of recent reviews regarding effects of technology on children and adolescents’ mental health, aimed at identifying limitations in the evidence base; second, we discuss what we think are the most pressing methodological challenges underlying those limitations; third, we propose effective ways to address these limitations, building on robust methodology, with reference to emerging applications in the study of AI and children and adolescents’ wellbeing; and lastly, we articulate steps for conceptualising and rigorously studying the ever-shifting sociotechnological landscape of digital childhood and adolescence. We outline how the most effective approach to understanding how young people shape, and are shaped by, emerging technologies, is by identifying and directly addressing specific challenges. We present an approach grounded in interpreting findings through a coherent and collaborative evidence-based framework in a measured, incremental, and informative way.