We leren leerlingen graag om hun eigen werk in te schatten. Realistisch kijken naar hoe je het deed, zo luidt het idee, helpt om te weten of je moet doorleren of juist verder kunt. Het klinkt bijna vanzelfsprekend dat wie zichzelf nauwkeurig inschat, uiteindelijk beter presteert. Maar een grote Duitse studie met meer dan 10.000 kinderen laat een ander beeld zien.
De onderzoekers keken naar vijf bestaande theorieën:
- Het klassieke self-knowledge-idee: hoe juister je inschatting, hoe beter je leert.
- De optimal margin-hypothese: een beetje overmoed kan motiverend werken.
Uit onderzoek naar zelfbeeld komen nog drie varianten:
- de beneficial bias (meer overmoed = meer motivatie),
- de detrimental bias (overmoed werkt juist tegen je) en
- de positive self-evaluation (een positief zelfbeeld helpt, of het klopt of niet).
Wat bleek? De meeste leerlingen overschatten zichzelf, zeker in de lagere jaren. Maar geen van de vijf theorieën kreeg echt volledige steun van de data. De beste voorspeller van prestaties twee jaar later was… de prestatie van twee jaar eerder. Daarnaast scoorden leerlingen die zichzelf hoog inschatten – vooral de sterkere leerlingen – gemiddeld iets beter. Accuratesse zelf maakte geen verschil.
Dat betekent niet dat zelfinschatting nutteloos is. Op korte termijn helpt een realistisch beeld nog steeds om je aanpak bij te sturen, iets wat in veel andere studies wel aangetoond is. Maar op de langere termijn lijken eerdere prestaties – en misschien motivatie – zwaarder te wegen. Zeker in de eerste graad secundair, waar motivatie vaak daalt, kan een hoge inschatting, terecht of niet, helpen om inzet vol te houden.
Zoals altijd moeten we dit in perspectief plaatsen. Het onderzoek ging alleen over wiskunde, gebruikte verschillende meetmethodes bij jongere en oudere kinderen, en is observationeel. We weten dus niet of hoge inschattingen prestaties veroorzaken, of dat sterke leerlingen gewoon optimistischer zijn. En andere vormen van inschatting, bijvoorbeeld per opgave in plaats van achteraf, kunnen andere patronen laten zien.
Kortom: nauwkeurig inschatten is niet de heilige graal. Misschien is het in de klas minstens zo belangrijk om te werken aan het motiverende effect van zelfvertrouwen – zolang het niet doorslaat in gevaarlijke overmoed.
Abstract van het onderzoek:
In metacognition research, performance judgements and their accuracy are considered pivotal for self-regulated learning and task performance. However, their long-term impact on academic achievement remains under-researched. This study investigated the role of performance judgements and their accuracy for later maths competencies and explored whether this relationship varied with age. We used data on student performance judgements in a maths test, actual performance, and performance in a maths test two years later collected from 5551 German primary and 4780 lower secondary school students. Response surface analyses supported none of the five competing hypotheses that we investigated. They indicated the dominant role of past competencies and a positive, although weaker, effect of judgements, especially at high competence levels. Students in both samples overestimated their performance, with secondary school students being more accurate. The study suggests refining theoretical models to better link past performance, performance judgements, and accuracy to short- and long-term achievement.