Vandaag hebben sociale media een behoorlijk slechte reputatie. Op Twitter (ik volhard) spreekt men over Bluecry in plaats van Bluesky. Op Bluesky verdenkt men dan weer iedereen op Twitter van rechts te zijn. En Facebook? Wie zit daar eigenlijk nog op. LinkedIn tenslotte: zelfpromotie, toch? Die intuïtie voelt begrijpelijk. Wie even door reacties scrolt onder een nieuwsbericht van kranten die dit nog toelaten, ziet haat, desinformatie en gratuit cynisme. Het lijkt soms alsof dat gedrag normaal is geworden.
Een nieuw artikel in PNAS Nexus zet precies daar een interessante correctie of eerder nuance tegenover. Niet door te beweren dat sociale media onschuldig zijn. Je zal straks merken, dat zijn ze niet. Wel door te laten zien dat we systematisch verkeerd inschatten wie en hoeveel mensen verantwoordelijk zijn voor dat schadelijke gedrag online.
Angela Y Lee en collega’s vroegen Amerikanen hoeveel gebruikers volgens hen toxische reacties posten of nepnieuws delen. De antwoorden die ze kregen, waren opvallend consistent. Respondenten dachten dat ongeveer 40 tot 50 procent van de gebruikers zich daar wel eens aan bezondigt. Wacht even met verder lezen. Welk percentage denk jezelf?
In werkelijkheid tonen platformdata iets heel anders. Het gaat meestal om een kleine minderheid, ruwweg 3 tot 8 procent, die verantwoordelijk is voor het grootste deel van die content. Maar dat had jij wellicht correct geraden?
Dat betekent niet dat de hoeveelheid toxische berichten gering is. Integendeel. Die kleine groep is extreem actief en produceert een buitenproportioneel groot deel van de cynische haat die we zien. Precies daardoor ontstaat de verwarring. We zien veel problematische content en concluderen dat veel mensen problematisch zijn. Zichtbaarheid wordt gelijkgesteld aan representativiteit. Dit is een klassiek voorbeeld van availability bias: we overschatten de waarschijnlijkheid van iets omdat voorbeelden ervan gemakkelijk in ons opkomen. Diezelfde denkfout zorgt ervoor dat mensen meer schrik hebben voor vliegtuigongelukken dan voor wat kan misgaan op de weg naar het vliegveld.
Het interessante is dat mensen niet zozeer fout zitten over hoe toxisch de inhoud is. Ze herkennen vrij goed wat als schadelijk of grensoverschrijdend geldt. De fout zit in de stap daarna. We schrijven dat gedrag toe aan “de meeste anderen”. En die denkfout heeft gevolgen.
Wie overschat hoeveel mensen zich online toxisch gedragen, voelt zich negatiever, wordt cynischer over de samenleving en krijgt sterker het gevoel dat het moreel bergaf gaat. Mensen denken ook sneller dat anderen dit soort content eigenlijk wel willen zien, terwijl de meeste gebruikers dat net níét wensen. De auteurs spreken hier van een vorm van pluralistische onwetendheid: we onderschatten hoezeer anderen op ons lijken in hun afkeer van giftig gedrag. Misschien heeft Rutger Bregman wel gelijk met zijn ‘meeste mensen deugen’.
Opvallend en positief: een korte, feitelijke correctie maakt al verschil. Wanneer deelnemers expliciet te horen kregen dat sociale media vaak de stemmen van een luidruchtige minderheid uitvergroten, daalde hun pessimisme over moreel verval en werd hun beeld van wat anderen willen realistischer. Dat lost natuurlijk niet alles op. Het veranderde bijvoorbeeld geen diepere attitudes zoals algemeen vertrouwen in de mens. Maar het toont wel hoe fragiel sommige overtuigingen zijn.
Belangrijk om te benadrukken, vooral omdat ik door het persbericht zelf al bijna in die val trapte: dit onderzoek zegt níét dat sociale media “wel meevallen” of dat schadelijk gedrag geen probleem is. De schade blijft reëel, voor wie er het mikpunt van wordt en voor het publieke debat als geheel. Wat het onderzoek wel laat zien, is dat we een extra laag schade toevoegen door verkeerde conclusies te trekken over elkaar. We denken dat iedereen zo is, terwijl dat niet klopt.
Sociale media tonen ons dus geen doorsnede van de samenleving, maar een uitvergrote spiegel van haar luidste rand. Het probleem is niet alleen wat er in die spiegel verschijnt, maar wat wij daaruit afleiden.