Onderzoek naar methodeonderwijs kan bijna altijd voor discussie zorgen. Niet alleen omdat mensen sterke meningen kunnen hebben over Montessori, Dalton of Freinet, maar ook omdat degelijk onderzoek ernaar verrassend moeilijk uit te voeren is. Ik ging gisteren door mijn archief van onderzoeken waar ik ooit nog wilde over bloggen en stootte op deze Nederlandse studie. Vivian Morssink-Santing en collega’s keken specifiek naar de overgang van Montessori- en Daltononderwijs naar het hoger onderwijs. En dit prima onderzoek toont de uitdagingen opnieuw mooi aan. Dus voor alle duidelijkheid: het is geen slechte studie. Integendeel. Maar ik wil het werk bespreken omdat het goed laat zien hoe beperkt de conclusies soms moeten blijven.
De onderzoekers bekeken bijna 9000 eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs, waarvan een kleinere groep uit Dalton- en Montessorionderwijs kwam. Ze onderzochten twee zaken: hoe goed studenten vonden dat hun secundair onderwijs aansloot bij het hoger onderwijs en hoe sterk hun zelfregulerende vaardigheden waren. Denk daarbij aan plannen, zelfstandig werken, motivatie en omgaan met uitstelgedrag.
Op het eerste gezicht lijkt dat logisch. Methodeonderwijs legt vaak meer nadruk op autonomie, zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Dan zou je verwachten dat zulke leerlingen vlotter de overgang maken naar hoger onderwijs, waar zelfstandigheid belangrijk is.
Maar daar begint meteen het eerste probleem van dit soort onderzoek: wat is “Montessori” of “Dalton” eigenlijk precies? Zelfs de auteurs geven toe dat scholen binnen dezelfde stroming sterk van elkaar verschillen. Montessori’s visie op secundair onderwijs bleef relatief beperkt uitgewerkt. Daltonscholen krijgen traditioneel veel vrijheid in hoe ze de principes invullen. Daardoor vergelijk je eigenlijk geen duidelijk afgebakende methode met een andere methode, maar eerder families van scholen die onder dezelfde naam vallen.
Daar komt nog iets bij. Veel kenmerken die vroeger typisch waren voor methodeonderwijs zijn ondertussen ook binnengesijpeld in reguliere scholen. Zelfstandig werk, groepswerk, reflectie en aandacht voor zelfregulatie zijn vandaag helemaal niet meer exclusief voor Montessori- of Daltononderwijs. De onderzoekers verwijzen zelf naar de invloed van het (volgens sommigen vermaledijde) Nederlandse Studiehuis, waardoor reguliere scholen al langer meer inzetten op zelfstandig leren. Op deze manier krijg je dus een tweede probleem: het verschil tussen “alternatief” en “regulier” wordt kleiner.
Nog een derde moeilijkheid waar ik al vaker over schreef: selectie-effecten. Ouders kiezen niet willekeurig voor methodeonderwijs. Vaak spelen overtuigingen, sociaal-economische achtergrond en verwachtingen mee. Dat maakt het bijzonder moeilijk om te weten of eventuele verschillen echt door het onderwijs komen of door de gezinnen die voor dat onderwijs kiezen. De auteurs erkennen trouwens expliciet dat ze onvoldoende gegevens hadden over socio-economische status en eerdere schoolprestaties om dat volledig mee te nemen. Deze uitdaging werd voor Montessorionderwijs wel al soms slim opgelost door te kijken naar wie van de wachtlijsten wel of niet een plaatsje kon bemachtigen in een school.
Ook de manier waarop je zulke zaken meet, blijft lastig. In deze studie gaat het bijvoorbeeld grotendeels om zelfrapportage. Studenten moesten aangeven hoe goed ze zichzelf vonden in plannen, discipline of zelfstandig studeren. Alleen: mensen die meer nadenken over zelfregulatie kunnen zichzelf soms net kritischer beoordelen. Wie beter weet wat goed plannen inhoudt, beseft misschien sneller waar hij of zij tekortschiet. Dat alles maakt interpretatie dus moeilijk.
En dan komen we misschien bij het interessantste van het onderzoek: de effecten blijken ondanks dit alles of net dankzij dit alles klein. Heel klein zelfs. Daltonleerlingen vonden de aansluiting met hoger onderwijs iets beter, maar de verklaarde variantie bleef beperkt. Voor zelfregulatie verdwenen de verschillen zodra andere factoren in het model werden opgenomen.
Dat betekent niet dat methodeonderwijs “niet werkt” of in dit geval “niet beter werkt”. Maar wel dat onderwijs waarschijnlijk complexer is dan één label op een schoolpoort. Misschien zitten de echte verschillen eerder bij individuele leerkrachten, schoolcultuur of concrete didactische keuzes dan bij de naam van een pedagogische stroming. Iets wat Margaret Brown al in 2012 beschreef.
Dus misschien kunnen we besluiten dat Montessori of Dalton niet per se magische oplossingen zijn. Maar ook niet dat ze geen waardevolle praktijken bevatten. Wellicht wel ook beter om te zeggen dat goed onderwijs moeilijk te reduceren is tot één methode.
Deze vond ik net terug.
https://www.cafepedagogique.net/0000/00/00/des-ecoles-freinet-sur-la-loupe-de-l-universite/