Bestaat Generatie Z eigenlijk wel? Of verwarren we leeftijd met generatie?

Jongeren willen niet meer werken. Of studeren omdat ze te veel aan het werk zijn? Dat kan ook. Of ze zorgen beter voor zichzelf en hun work-life balance. Of net niet. Er circuleren heel wat clichés over deze thema’s, maar wat zegt de harde data? Ik dook nog eens in mijn archief van onderzoeken (teller staat op 422) waarover ik ooit vergat te bloggen. Deze studie over generatieverschillen op de werkvloer bleek veel te interessant om daar te laten liggen.

In deze studie , gepubliceerd in Journal of Business and Psychology., gebruikte Martin Schröder de data van 584.217 mensen uit 113 landen, verzameld tussen 1981 en 2022. Dat alleen al maakt dit tot een van de grootste onderzoeken naar generatieverschillen in werkattitudes die ik ken. Ik bedoel maar: Wat. Een. Dataset!

De centrale vraag klinkt eenvoudig: bestaan generatieverschillen eigenlijk wel? Dat kan misschien een vreemde vraag lijken voor sommigen, behalve als je mijn werk al langer volgt. Maar je leest nu eenmaal vaak de claims over babyboomers die anders zijn dan Generatie X, die weer anders is dan millennials, die op hun beurt weer verschillen van Generatie Z. Maar wie daar wat langer over nadenkt, botst op fundamentele vragen.

Stel dat twintigjarigen vandaag minder belang hechten aan werk dan vijftigjarigen. Is dat omdat ze tot een andere generatie behoren? Of gewoon omdat twintigjarigen altijd anders naar werk kijken dan mensen die midden in hun loopbaan zitten? En als jongeren vandaag anders antwoorden dan jongeren dertig jaar geleden, komt dat dan doordat ze in een ander jaar zijn geboren? Of omdat de hele samenleving intussen is veranderd?

Onderzoekers noemen dat het age-period-cohort-probleem. Leeftijd, geboortejaar en de historische periode waarin je mensen bevraagt, hangen onvermijdelijk met elkaar samen. Wie die drie niet uit elkaar haalt, loopt het risico leeftijdseffecten of maatschappelijke veranderingen ten onrechte als generatieverschillen te bestempelen.

En dat is nu precies wat Schröder in dit onderzoek probeerde te vermijden. Wanneer hij alleen naar het geboortejaar keek, leek het bekende verhaal te kloppen. Jongere generaties lijken inderdaad werk minder belangrijk te vinden dan oudere generaties. Maar zodra hij ook rekening hield met leeftijd én met de historische periode waarin mensen werden bevraagd, verdwenen die generatieverschillen bijna volledig.

Wat bleef er dan wel over? Ten eerste blijkt leeftijd een veel sterkere verklaring. Werk wordt voor de meeste mensen belangrijker naarmate ze ouder worden. Dit belangrijk vinden van werk bereikt vervolgens een piek rond de middelbare leeftijd om daarna weer af te nemen richting pensioen. Dit patroon blijkt vele malen sterker dan de verschillen tussen geboortecohorten.

Daarnaast ziet Schröder ook een periode-effect. Doorheen de afgelopen decennia is werk voor iedereen geleidelijk aan wat minder belangrijk geworden. Niet alleen voor Generatie Z, maar voor alle leeftijden. Het is vooral de tijdsgeest die verandert, voor iedereen, jong en oud. In werkelijkheid blijkt de hele samenleving langzaam in dezelfde richting te verschuiven. Ik beken dat ik dit resultaat zelf niet verwacht had, maar wel logisch vond hoe meer ik erover nadacht. Dus jongeren kunnen nu antwoorden tegenover een ouder iemand die klaagt dat ze minder willen werken dan vroeger: maar jij ook.

Interessant is ook dat hij niet alleen naar het belang van werk keek. Hij onderzocht nog tien andere werkgerelateerde attitudes, zoals het belang van initiatief kunnen nemen, interessante taken, vakantiedagen of aangename collega’s. Ook daar verdwenen de meeste vermeende generatieverschillen zodra leeftijd en historische periode werden meegenomen.

Betekent dit dat generaties niet bestaan? Nee, zo ver gaat Schröder niet. Hij verwijst zelf naar de klassieke socioloog Karl Mannheim, die stelde dat uitzonderlijke historische gebeurtenissen een generatie blijvend kunnen tekenen en vormen. Denk aan een wereldoorlog, de Twin Towers, Covid, het afscheidsconcert van de K3-originals. Maar dat is allemaal iets heel anders dan om de tien of vijftien jaar een nieuwe generatie uit te roepen met een eigen karakter en bijbehorende clichés.

Dus: wanneer iemand zegt dat “Generatie Z niet meer wil werken”, is de eerste vraag niet of dat klopt. De eerste vraag zou moeten zijn of we eigenlijk wel over een generatie spreken. Misschien hebben we het gewoon over jonge mensen en/of over een samenleving die langzaam verandert.

Misschien bestaat vooral… twintig zijn.

Geef een reactie