De eerste resultaten van PISA zijn er nu al een tijdje en er zitten enkele raadsels in die me bezig blijven houden. Ik sprak er de voorbije twee weken al met enkele mensen over, maar deel mijn kronkels graag ook nu hier. Ik aarzelde even hierover, omdat het door PISA-haters wellicht onmiddellijk kan (en wellicht zal) worden aangegrepen om de PISA-resultaten in twijfel te trekken. Maar ik hoop dat men even intellectueel eerlijk is om te beseffen dat wat ik hier ga schrijven, in het licht van PIRLS en andere resultaten nooit de enige verklaring kan zijn!
PISA vraagt leerlingen namelijk niet alleen om allerlei opdrachten te maken. Achteraf krijgen de deelnemers ook de vraag hoeveel moeite ze eigenlijk hebben gedaan. En volgens OESO-topman Andreas Schleicher hebben de vijftienjarigen in deze ronde nog nooit zo vaak aangegeven dat ze niet echt veel moeite hebben gedaan.
Gemiddeld geven leerlingen in de OESO-landen zichzelf in PISA 2025 een 7,16 op 10 voor de inspanning die ze tijdens de test hebben geleverd. In België is dat slechts 6,66. Nederland zit met 6,98 dichter bij het gemiddelde. Nog opvallender: 79,5% van de Belgische leerlingen zegt dat ze harder hun best zouden hebben gedaan als PISA voor hun schoolresultaten had meegeteld. In Nederland is dat 74,8%, tegenover 72,9% gemiddeld in de OESO.
Op zich kun je daar allerlei verhalen over Belgische jongeren bij verzinnen, en ik schrijf bewust Belgische, omdat ik geen zicht heb op de Vlaamse jongeren apart. Maar hou je gedachten nog even bij je, want dit is nog niet het raadsel of de hypothese.
PISA 2025 bevat namelijk voor het eerst ook een apart domein: computational problem solving. En dat ziet er behoorlijk anders uit dan de klassieke PISA-test. Leerlingen krijgen langere interactieve opdrachten waarin ze bijvoorbeeld met modellen en programmeertools kunnen experimenteren. Ze krijgen hierbij ook feedback en ze kunnen hun aanpak aanpassen op basis van die feedback. Het lijkt, om het even heel onwetenschappelijk uit te drukken, gewoon een stuk leuker om te doen dan de meer klassieke PISA-vragen. De OESO zelf benadrukt trouwens het belang van motivatie en task engagement bij deze opdrachten.
En wat blijkt? België en Nederland doen het daar relatief goed. België haalt 508 punten en Nederland 506, tegenover 500 gemiddeld in de OESO. In PISA 2025 scoort Vlaanderen 523 punten op computational problem solving. Daarmee zit Vlaanderen in de Europese top. Binnen de EU scoort enkel Estland hoger; alle andere EU-landen scoren gemiddeld lager! Bovendien haalt ruim een derde van de Vlaamse leerlingen niveau 5 of 6, dus het niveau van de toppresteerders. Dit zijn resultaten waar we ooit mee hadden moeten uitpakken toen we ze nog voor rekenen en taal behaalden.
Nog interessanter is dat dit computationeel probleemoplossen helemaal niet losstaat van de klassieke PISA-domeinen. Integendeel: in Vlaanderen hangt de prestatie op dit nieuwe domein sterk samen met lezen, wiskunde en wetenschappen, en die samenhang is zelfs sterker dan gemiddeld in de EU en de OESO. Tegelijk scoren we zeer goed voor het ene (nieuwe), terwijl we voor de andere domeinen steeds slechter zijn gaan scoren.
En dat zorgt dus voor een ietwat ongemakkelijke hypothese. Wat als een deel, let wel, ik schrijf bewust deel, van het verhaal niet is dat onze jongeren minder kunnen. Maar dat hun prestaties sterker afhankelijk zijn geworden van hoeveel een taak hen engageert?
Voor alle duidelijkheid: PISA bewijst dit niet. Dat onderscheid is belangrijk. We weten dat de gerapporteerde inspanning op PISA internationaal daalt. Verder weten we dat Belgische leerlingen relatief weinig inspanning rapporteren. We weten ten slotte ook dat België en Nederland relatief sterk presteren op een onderdeel dat behoorlijk anders en interactiever is vormgegeven. Maar uit A, B en C volgt nog niet dat C door A en B wordt veroorzaakt.
Er kunnen immers allerlei andere verklaringen zijn. Misschien sluiten de vaardigheden die computational problem solving meet beter aan bij wat Belgische en Nederlandse jongeren vandaag kunnen. Misschien hebben ze meer ervaring met digitale toepassingen. Of misschien spelen verschillen in het curriculum toch mee, ook al wil de OESO dit zoveel mogelijk tegengaan. Wellicht zijn er nog heel andere zaken aan de hand die ik nu nog niet kan bedenken.
De voorbije jaren wordt de daling in PISA nogal eens samengevat als een daling in kennis en vaardigheden. Daar is ook een goede reden voor. De negatieve trends zijn in verschillende landen, domeinen en meetmomenten zichtbaar en liggen in lijn met andere testen, zoals ik al schreef. Je kunt ze niet zomaar wegwuiven als meetruis. Maar tegelijkertijd daalt ook de hoeveelheid moeite die jongeren zeggen te doen op de test. Misschien meten we dus twee dingen die door elkaar heen lopen: wat jongeren kunnen en hoeveel moeite ze bereid zijn te doen om te laten zien wat ze kunnen.
En misschien is zelfs dat nog te eenvoudig. De goede resultaten op computational problem solving roepen namelijk een derde mogelijkheid op. Namelijk, dat die bereidheid tot inspanning mede afhankelijk is van wat voor soort taak we hun voorleggen.
Dat zou ook betekenen dat het weinig zin heeft om de dalende testinspanning simpelweg af te doen als een vervelend methodologisch probleem bij PISA. Als jongeren inderdaad minder lang willen doorwerken aan taken die hen weinig interesseren, kan dat op zich al een relevante verandering zijn. In onderwijs en bij uitbreiding de hele samenleving bestaan er nu eenmaal ook dingen die niet voortdurend boeiend kunnen zijn.
Maar als diezelfde jongeren bij andere soorten cognitief veeleisende opdrachten plots wél behoorlijk sterk presteren, is dat minstens zo relevant. Voorlopig heb ik dus vooral een vraag, geen antwoord, maar ik weet dat veel slimme mensen deze blog lezen. Misschien hebben zij wel verdere input!