OESO: Minder leerlingen, maar daarom nog niet minder lerarentekort

Het was bij het begin van het schooljaar onderwijsnieuws, de druk op het lerarentekort blijkt wat te milderen. Is het door de besparingen? Is het door de demografische evoluties? Of misschien komt het door de slabakkende economie waardoor mensen meer voor de veilige haven van het onderwijs kiezen? Dat eerste kan, dat laatste lijkt zich toch niet te vertalen in de inschrijvingscijfers aan de lerarenopleidingen en dat twee, daar moet ik vandaag bij stilstaan.

Het klinkt namelijk bijna alsof dan de oplosing vanzelf zal komen. Veel landen kampen met een lerarentekort, maar tegelijkertijd worden er wereldwijd steeds minder kinderen geboren. Minder kinderen betekent minder leerlingen, minder leerlingen betekent minder leraren nodig en dus zou het lerarentekort op termijn toch minstens gedeeltelijk vanzelf moeten verdwijnen? Nou, nee.

Zo eenvoudig blijkt het namelijk niet te zijn. Dat is een van de interessante, maar tegelijk deprimerende, boodschappen uit de nieuwe Education at a Glance 2026 van de OESO. Deze editie besteedt veel aandacht aan lerarentekorten en combineert dat met de demografische veranderingen die de komende jaren op het onderwijs afkomen.

De veranderingen zijn meer dan aanzienlijk. Zo verwacht de OESO dat het aantal kinderen tussen 5 en 14 jaar in de OESO-landen tussen 2024 en 2033 met 9 procent zal dalen. Ik weet niet of we in de recente geschiedenis een dergelijke krimp hebben meegemaakt. In theorie zou dit onderwijsstelsels behoorlijk wat ruimte moeten geven. Minder leerlingen betekent immers dat je met hetzelfde aantal leraren kleinere klassen kunt maken, of… dat je minder leraren nodig hebt.

Alleen: de voorbije jaren hebben ons blijkbaar geleerd dat onderwijsstelsels niet zo ‘mechanisch’ werken. De OESO keek naar wat er gebeurde in landen waar het aantal leerlingen al eerder daalde. Ze merkten dat het aantal leraren en klassen lang niet altijd evenredig afnam. In sommige landen zag men zelfs het aantal leraren of klassen toenemen terwijl er minder leerlingen waren.

Maar er is meer, en dat is de tegenhanger van ontgroening, juist, vergrijzing. Terwijl aan de ene kant het aantal leerlingen daalt, verdwijnen aan de andere kant ook veel leraren uit het onderwijs. Een kwart van de leraren in het secundair onderwijs in de OESO-landen is inmiddels 55 jaar of ouder. De komende jaren zal dus een aanzienlijk deel van het huidige lerarenkorps de pensioenleeftijd bereiken. Minder leerlingen betekent daardoor wel degelijk dat er minder leraren nodig kunnen zijn, maar dat is iets anders dan zeggen dat er automatisch genoeg leraren beschikbaar zullen zijn.

Bij het lezen van deze inzichten moest ik meteen aan Nederland denken. Dit land laat mooi zien hoe beide bewegingen tegelijkertijd kunnen plaatsvinden. Volgens de Nederlandse Referentieraming 2026 daalt het totale aantal leerlingen en studenten van ongeveer 3,64 miljoen in 2025 naar 3,48 miljoen in 2034, een afname van 4,4 procent. Pas daarna wordt opnieuw groei verwacht. Het precieze omslagpunt verschilt sterk per onderwijssector. In het primair onderwijs wordt vanaf 2034 weer groei verwacht, in het voortgezet onderwijs pas vanaf 2040.

Dat heeft uiteraard gevolgen voor de vraag naar leraren. In de Nederlandse Trendrapportage Arbeidsmarkt Leraren 2025 wordt bijvoorbeeld verwacht dat in het voortgezet onderwijs in 2034 bijna 5 procent minder leraren-fte nodig zal zijn dan in 2024. In het mbo gaat het zelfs om ruim 5 procent minder. Terug zou je kunnen denken: probleem opgelost.

Maar tegelijkertijd verlaten leraren het onderwijs. De belangrijkste reden is dan pensioen. Om hen te vervangen is nieuwe instroom nodig, waarbij zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs sterk afhankelijk zijn van afgestudeerden van lerarenopleidingen. Wanneer deze instroom onvoldoende is, ontstaat ondanks de afgenomen behoefte aan leraren nog altijd onvervulde werkgelegenheid. Vrij vertaald, het lerarentekort kan dan blijven bestaan.

Het is dus perfect mogelijk dat deze twee zinnen tegelijkertijd waar zijn:

  • We hebben in de toekomst minder leraren nodig.
  • We hebben in de toekomst nog steeds te weinig leraren.

Stel heel eenvoudig dat een onderwijsstelsel vandaag 100 leraren nodig heeft en er maar 95 kan vinden. Door dalende leerlingenaantallen zijn over tien jaar nog maar 95 leraren nodig. Maar als ondertussen door pensionering en onvoldoende instroom nog maar 90 leraren beschikbaar zijn, is de behoefte gedaald én is er nog steeds een tekort.

Daar komt een tweede probleem bij waar de OESO de nadruk op legt. Leraren zijn niet zomaar uitwisselbare eenheden die je probleemloos kunt verplaatsen naar waar ze nodig zijn. De tekorten verschillen sterk per regio, school en vak. Vooral voor wiskunde en natuurwetenschappen ziet de OESO relatief vaak tekorten, in lijn met wat we hier vaak zien. De OESO ziet die tekorten minder vaak voorkomen bij bijvoorbeeld kunstvakken, sociale wetenschappen en lichamelijke opvoeding.

Verder kan de leerlingpopulatie in de ene regio sneller krimpen dan in de andere. Een overschot aan een bepaald type leraar voor een welbepaald vakgebied op de ene plaats lost een tekort aan een ander type leraar elders niet automatisch op. Dat zorgt ervoor dat de demografische ontwikkeling uiteindelijk vooral een verdelingsvraagstuk blijft.

De OESO ziet de verwachte daling van het aantal leerlingen dan ook niet zozeer als een automatische oplossing. Tegelijkertijd wel als een mogelijke kans. Onderwijssystemen zouden eventueel de vrijkomende capaciteit kunnen gebruiken om leraren en middelen opnieuw te verdelen naar scholen, regio’s en vakgebieden waar de tekorten het grootst zijn. En dan besef je direct de Achillespees van deze redenering. Al moeten die leraren dit dan wel willen.

Geef een reactie