Inclusie mag niet betekenen dat je de lat lager legt

Gisteren schreef ik hier over hoge verwachtingen en over een nieuwe studie die liet zien dat die verwachtingen misschien zichtbaar worden in iets heel concreets, namelijk de taken die je leerlingen geeft. Leraren bleken veel minder geneigd om cognitief uitdagende wiskundeopdrachten te geven wanneer ze aan zwak presterende leerlingen dachten dan wanneer ze aan sterk presterende leerlingen dachten. Vandaag kwam ik een studie tegen die daar vanuit een heel andere hoek verrassend goed bij aansluit. Dit keer gaat het niet over wiskundetaken, maar over inclusie. Het is een longitudinale studie met een degelijke steekproef en een resultaat waarbij zowel de onderzoekers als ikzelf in feite op dezelfde vraag uitkomen: verwachten we misschien soms te weinig van leerlingen, vanuit de beste bedoelingen?

Een positieve houding tegenover inclusie

Tobias Wächter en Julia Gorges onderzochten of de houding van leraren tegenover inclusief onderwijs samenhangt met de leerprestaties van hun leerlingen. Hun uitgangspunt lijkt logisch. Leraren die positief staan tegenover inclusie en die er bovendien vertrouwen in hebben dat ze inclusief onderwijs goed kunnen vormgeven, zouden daar wellicht ook beter in slagen. En dit alles zou op zijn beurt zichtbaar kunnen worden in de prestaties van hun leerlingen.

De onderzoekers volgden leerlingen gedurende het vijfde leerjaar in inclusieve scholen in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Voor de uiteindelijke analyses beschikten ze over gegevens van 1.873 leerlingen en 173 leraren uit 26 scholen. Aan het begin en het einde van het schooljaar werden de prestaties in lezen, spelling en wiskunde gemeten. De onderzoekers bekeken bij de leraren ook onder meer hun houding tegenover inclusie en hun self-efficacy. In welke mate hadden ze vertrouwen dat ze inclusief onderwijs succesvol konden realiseren?

Een onverwacht resultaat

De onderzoekers verwachtten positieve verbanden, maar… die vonden ze nauwelijks. In de analyses op het eerste meetmoment hing alleen een grotere self-efficacy van de leraar positief samen met de leesprestaties van hun leerlingen. Voor spelling en wiskunde waren er nauwelijks de verwachte verbanden.

Maar de echte verrassing kwam tevoorschijn bij het bekijken van de ontwikkeling gedurende het schooljaar. Een positievere onderwijsgerichte houding tegenover inclusie én een grotere self-efficacy bleken samen te hangen met net iets mindere vooruitgang voor lezen. Voor spelling en wiskunde vonden ze dergelijke rechtstreekse verbanden niet. Bij spelling vonden ze wel nog iets anders. Daar bleek de combinatie van houding en self-efficacy van belang. Bij leraren met een relatief lage self-efficacy hing een positievere sociale houding tegenover inclusie samen met slechtere spellingprestaties. Bij leraren met een hoge self-efficacy was dit negatieve verband niet aanwezig.

Dit zijn dus allesbehalve eenvoudige, eenduidige resultaten. Een positieve houding tegenover inclusie hangt niet simpelweg samen met goede of slechte leerprestaties. De verbanden verschillen per domein en afhankelijk van wat er precies wordt gemeten. En vooral blijven de positieve relaties uit.

Goede bedoelingen kunnen ook een valkuil hebben

Toen ik dit las, moest ik meteen aan mogelijke verklaringen denken. Maar hoe verklaren de onderzoekers zelf die onverwachte resultaten?

Een eerste mogelijkheid is heel praktisch. Een leraar kan inclusief onderwijs belangrijk vinden, maar tegelijk onvoldoende mensen, tijd of andere middelen hebben om alle leerlingen voldoende te ondersteunen. Een positieve houding betekent nog niet dat je ook over de mogelijkheden beschikt om die overtuiging in goed onderwijs om te zetten.

Maar de onderzoekers opperen vervolgens een tweede mogelijke verklaring die veel ongemakkelijker is en waar ik zelf ook meteen aan moest denken.  Leraren kunnen vanuit een sterke sociale bekommernis om inclusie willen dat alle leerlingen succes ervaren. De keerzijde daarvan zou kunnen zijn dat ze de standaarden en verwachtingen voor leerlingen verlagen.

Verder kunnen ook de grote verschillen tussen leerlingen in een inclusieve klas leraren ertoe brengen om minder hoge prestaties te verwachten.  Of eenvoudiger gezegd: we willen leerlingen helpen en leggen daarom misschien de lat lager. En nu zie je wellicht ook de link met de studie die ik gisteren heb besproken.

Ondersteunen is iets anders dan minder verwachten

De onderzoekers wijzen erop dat lagere verwachtingen zich bijvoorbeeld kunnen vertalen in sterkere differentiatie van taken en leerdoelen. Sommige leerlingen krijgen dan gemakkelijker werk of hoeven niet langer dezelfde doelen te bereiken. Dat voelt misschien als ondersteuning. Je probeert immers rekening te houden met wat een leerling aankan. Maar het risico bestaat dat juist de leerlingen die al zwakker presteren steeds minder met uitdagende leerstof worden geconfronteerd. Zo kan een aanvankelijk verschil juist groter worden.

Dat is bijna dezelfde mogelijke valkuil als in het onderzoek waarover ik gisteren schreef. Daar zagen we dat leraren minder geneigd waren uitdagende taken aan te bieden wanneer ze aan zwak presterende leerlingen moesten denken. Ook daar was de achterliggende gedachte vermoedelijk positief: een taak geven die beter past bij het niveau van de leerling. Maar als dit telkens dezelfde leerlingen zijn, krijgen zij ook telkens minder kansen om moeilijkere denkvaardigheden te oefenen.

De auteurs van de nieuwe inclusiestudie stellen daarom een ander uitgangspunt voor: houd de verwachtingen en doelen hoog, maar varieer in de ondersteuning. Geef leerlingen bijvoorbeeld meer tijd, meer hulp of een andere route om hetzelfde doel te bereiken, in plaats van het doel automatisch te verlagen. In hun praktische aanbevelingen verwijzen ze onder andere naar mastery learning.

Inclusie betekent niet dat iedereen hetzelfde moet doen, op hetzelfde moment en op exact dezelfde manier. Sommige leerlingen hebben vanzelfsprekend veel meer ondersteuning nodig dan andere. En voor sommige leerlingen zijn aangepaste doelen wel degelijk nodig. Maar verschillen tussen leerlingen mogen niet automatisch betekenen dat we minder gaan verwachten.

Opgelet!

Ik moet wel dit expliciet vermelden: de onderzoekers hebben niet gemeten of leraren met een positievere houding tegenover inclusie daadwerkelijk lagere verwachtingen hadden. Ze hebben ook niet geobserveerd of deze leraren makkelijkere taken gaven, minder cognitief uitdagende lessen gaven of andere standaarden hanteerden.

Het mechanisme dat ik hierboven beschrijf is dus een mogelijke verklaring die de auteurs zelf opperen, en geen resultaat van het onderzoek. Sterker nog, de auteurs noemen dit expliciet als een belangrijke vraag voor vervolgonderzoek. Misschien lopen de verbanden via de verwachtingen van leraren of via de mate waarin hun lessen leerlingen cognitief uitdagen. Maar ook de omgekeerde richting is mogelijk. Misschien beïnvloeden ervaringen met bepaalde groepen leerlingen juist de houding van leraren tegenover inclusie. Het onderzoek kan daar geen uitsluitsel over geven.

Geef een reactie