10-jarigen zijn vaker moe op school (en dat is slecht nieuws)

Vorige vrijdag was ik in Warschau met heel veel onderzoekers om verschillende bevindingen over de wereldwijde achteruitgang van de leerprestaties samen te brengen. Er kwamen heel veel verschillende verklaringen aan bod, waar ik zelf ook nog een nieuwe aan toevoegde, waarover ik binnenkort hopelijk meer kan vertellen. In afwachting deel ik graag het wel al gepubliceerde onderzoek achter een van de meer indringende presentaties van vrijdag door de Deense Christian Christrup Kjeldsen. En dat onderzoek draait volledig om de vermoeidheid van onze tienjarigen!

Kjeldsen en zijn collega’s maakten voor hun onderzoek gebruik van de enorme hoeveelheid gegevens uit PIRLS en TIMSS. Hierbij bekeken ze de resultaten van tienjarigen (vierde leerjaar in Vlaanderen, groep 6 in Nederland) uit 39 onderwijssystemen die deelnamen aan PIRLS 2016 en 2021 en TIMSS 2019 en 2023. Alles samen gaat het om ruim 9 miljoen (zelf)observaties van leerlingen. Telkens kregen de kinderen in deze internationale peilingen dezelfde eenvoudige vraag voorgelegd: hoe vaak voel je je moe wanneer je op school aankomt? Ze konden antwoorden met elke dag, bijna elke dag, soms of nooit.

En de evolutie is duidelijk. In 2016 gaf 15,8 procent van de kinderen aan dat ze elke dag moe op school aankwamen. In 2023 werd dat 25,2 procent. Tegelijk daalde het aandeel kinderen dat zei nooit moe te zijn van 17,8 naar 12 procent. In 2016 ging het dus om ongeveer één op zes kinderen die dagelijks moe waren, zeven jaar later is dat ongeveer één op vier. Mag ik dit veel vinden?

Jongens blijken daarbij vaker moe dan meisjes. In 2023 gaf 27 procent van de jongens aan elke dag moe te zijn, tegenover 23,5 procent van de meisjes. Maar belangrijker: de stijging is bij beide groepen duidelijk zichtbaar.

En dan is er de samenhang met de leerprestaties. Kinderen die aangeven elke dag moe te zijn, halen consequent lagere scores in lezen, wiskunde en wetenschappen. De effectgroottes liggen tussen d = .20 en d = .32. Ook wanneer de onderzoekers rekening houden met leeftijd, geslacht en sociaaleconomische achtergrond, blijft dit verschil bestaan.

De onderzoekers vertalen dit zelf naar enkele maanden leerachterstand in hun paper. Maar in zijn presentatie was Christian al wat voorzichtiger en volgens mij terecht. Het was de rode draad, ook wel de frustratie doorheen de hele conferentie: dergelijke data laten correlaties zien, geen causale verbanden. Ook dit onderzoek toont niet dat vermoeidheid lagere prestaties veroorzaakt. Het laat wel zien dat vermoeidheid en lagere prestaties duidelijk met elkaar samenhangen. Maar het kan ook deels een symptoom zijn van iets dieperliggends. Een kind kan om heel verschillende redenen moe zijn, en sommige van die redenen kunnen natuurlijk ook rechtstreeks verband houden met schoolprestaties. Om maar een concreet voorbeeld te geven, moet ik denken aan iets wat ik dit weekend deelde: de vraag of we als mensen deze drukke, complexe tijden wel aankunnen.

Verder spreken de onderzoekers in hun titel over een slaapcrisis, maar strikt genomen hebben ze de slaap niet echt gemeten. Ze weten dus niet hoeveel uur deze kinderen slapen, hoe laat ze naar bed gaan of hoe goed ze slapen. Ze weten alleen hoe vaak kinderen zelf zeggen dat ze moe zijn wanneer ze op school aankomen. Dat erkennen de auteurs trouwens zelf als een beperking.

We kunnen op basis van deze studie dus ook niet zeggen waarom kinderen vermoeider zijn geworden. Wie nu meteen naar smartphones, sociale media, schooldruk of corona wil wijzen, gaat verder dan wat deze data toelaten. En deze redenen kwamen vrijdag ook vaak aan bod, maar allemaal met de nodige relativering.

Dit onderzoek toont vooral een opvallende ontwikkeling. We kunnen enkel vermoeden waarom onze tienjarigen vermoeider zijn geworden. Maar dat zoveel meer kinderen hun schooldag blijkbaar al moe beginnen, lijkt me op zichzelf al iets om niet zomaar naast ons neer te leggen. Ik hoorde het trouwens vaak zelfs al over kleuters…

Geef een reactie